Hoe vrij ben jij ? Gewetensbezwaar op de werkvloer

door Frans J. van Ittersum

Er bestaat al langere tijd bij o.a. katholieke artsen het gevoel dat de mogelijkheid om gewetensbezwaar te hebben in bepaalde situaties in het gedrang komt. Aanleidingen daartoe zijn het McCafferty rapport voor de Raad van Europa uit 2010, waarin werd gesteld dat er “in toenemende mate een niet gereguleerd een beroep wordt gedaan op gewetensbezwaar” en dit “de toegankelijkheid van vrouwen tot veilige en legale abortus belemmert”. Vervolgens dienden D66 en GroenLinks in 2013 een initiatiefwetsvoorstel in met de strekking dat artsen die geen euthanasie willen uitvoeren, wel verplicht worden te verwijzen naar collega’s waarvan op voorhand duidelijk is dat ze wel euthanasie zullen doen. Tenslotte stemde het Europees parlement in juni 2021 voor het Matic rapport waarin wordt gesteld dat abortus een recht van iedere vrouw is.

Alhoewel het McCafferty rapport niet werd aangenomen door de Raad van Europa, het wetsvoorstel van D66 en GroenLinks nog niet door de Tweede Kamer is behandeld en het Matic rapport de status van een aanbeveling heeft, is de toon gezet: het zou in de toekomst zomaar kunnen gebeuren dat abortus wel erkend wordt als mensenrecht en dat de Europese lidstaten dit in hun wetgeving moeten verwerken en dat verwijzen naar een collega die wel euthanasie wil uitvoeren een verplichting wordt. Het Netwerk Katholieke Zorgprofessionals Nederland organiseerde om die reden op zaterdag 20 november 2021 een studiedag over dit onderwerp met als titel “Hoe vrij ben jij ? Gewetensbezwaar op de werkvloer”. De voordrachten van prof.dr. Frans J. van Ittersum, dr. Lambert J.M. Hendriks en mr. René Guldenmund waren gericht op de ontwikkelingen die het beroep op gewetensbezwaar onder druk zetten, het geweten in katholiek perspectief en de verankering van gewetensbezwaar in het rechtssysteem.

Het geweten

In het document van het Tweede Vaticaanse Concilie Gaudium et Spes stellen de concilievaders: “In het diepste van zijn geweten ontdekt de mens een wet, die hij zichzelf niet stelt, maar waaraan hij moet gehoorzamen, en waarvan de stem, die hem steeds weer oproept om het goede te beminnen en het kwade te vermijden, op het juiste moment doorklinkt in de oren van zijn hart: doe dit, vermijd dat. Want de mens heeft de door God geschreven wet in zijn hart; daaraan te gehoorzamen is zijn waardigheid, en volgens deze zal hijzelf worden veroordeeld. Het geweten is de meest verborgen kern en het heiligdom van de mens, waarin hij alleen is met God, wiens stem in hem weerklinkt. In het geweten wordt op wonderbaarlijke wijze die wet bekend die tot vervulling komt in de liefde tot God en de naaste…” (GS 16)

De Catechismus van de Katholieke Kerk ziet dat in het geweten de mens God kan horen spreken (CKK1777): “Wanneer de voorzichtige mens naar het morele geweten luistert, kan hij God horen spreken”. Desalniettemin heeft de mens de vrijheid om tegen het geweten in te gaan. Het veelvuldig negeren van het geweten kan er zelfs toe leiden dat het geweten zijn fijngevoeligheid verliest. Ook moet de mens het geweten blijven vormen (CKK 1784): “De opvoeding van het geweten is een opdracht voor het leven”. In andere woorden: “Men is niet alleen verantwoordelijk vóór het geweten, maar ook voor het geweten verantwoordelijk” (E. Schockenhoff, ‘Wie gewiss ist das Gewissen?’).

In verschillende christelijke teksten die betrekking hebben op ethiek, zo ook bij Thomas van Aquino, is er vaker weinig tot niets te vinden over het geweten. Dit heeft als reden dat er een tamelijk grote overeenkomst is tussen het concept van het geweten en dat wat in de deugdenethiek ‘prudentie’ wordt genoemd. Prudentie is immers de deugdzame karaktertrek die aan een mens laat zien wat hier en nu goed handelen is. Deze taak heeft het geweten voor een belangrijk deel ook. Bovendien is voor de deugdzame mens, die dus prudent is, het geweten ook in objectieve zin een goede maatstaf voor het handelen. Prudent handelen en gewetensvol handelen worden zo in de praktijk tot dezelfde dingen. Beiden hebben te maken met gericht zijn op het goede en ook met een rationeel juiste afweging van omstandigheden, waarden en belangen.

De Concilievaders beschouwden gewetensvrijheid als een belangrijk goed (Dignitatis humane, 3): “De mens verneemt en kent de voorschriften van de goddelijke wet door middel van zijn geweten, dat hij trouw moet volgen in het geheel van zijn activiteit om zo te komen tot zijn einddoel, God. Men mag hem daarom niet dwingen om tegen zijn geweten te handelen. Maar men mag hem evenmin beletten om volgens zijn geweten te handelen, vooral waar het gaat over de godsdienst. Want de uitoefening van de godsdienst bestaat krachtens zijn aard zelf op de eerste plaats in vrijwillige en vrije innerlijke daden, waardoor de mens zich rechtstreeks richt op God.” Toch kunnen er gewetensconflicten ontstaan:

  • Als de wet handelingen voorschrijft die conflicteren met het geweten;
  • Als de omgeving de mens dwingt tot verkeerd gedrag;
  • Als de mens zelf niet weet welke beslissing goed of kwaad is (perplex geweten)

In dat soort situaties is het belangrijk dat de mens zich het volgende afvraagt:

  • In hoeverre gaat het om intrinsiek kwaad ?
  • Hoe direct is de medewerking aan het kwaad ?
  • In hoeverre is het kwaad echt te verhinderen ?

Het geweten in het rechtssysteem

Als sinds de klassieke Oudheid zijn er mensen die zich beroepen op hun eigen geweten. Antigone gaat in de tragedie van Sophocles (ongeveer 440 voor Christus) in tegen de beslissing van koning Kreon, die heeft besloten dat het lijk van zijn overwonnen tegenstander, Polynices, niet begraven mag worden, maar ten prooi moet blijven liggen voor honden en gieren. Antigone, de zus van Polynices, volgt haar geweten en begraaft Polynices, een daad die zij zal moeten bekopen met de dood. Socrates brengt het er met zijn afwijkende mening ook niet levend af. Gewetensbezwaar was in die tijd dus wel aan de orde, maar werd niet gehonoreerd. Het zou tot de Unie van Utrecht (1579) duren dat de vrijheid van geweten zou worden erkend: het betrof niet en vrijheid van handelen in het maatschappelijke verkeer, maar was bedoeld als godsdienstvrijheid in de privésfeer. In de 19e eeuw werd de vrijheid van godsdienst erkend: de vrijheid van geweten was daarmee overbodig geworden.

Aan het begin van de 20e eeuw  kwam de vrijheid van geweten weer terug in wettelijke regelingen. De Dienstweigeringswet van 1923 bepaalde dat men militaire deinst mocht weigeren als men de overtuiging had “dat men de medemens niet mag doden”. Deze overtuiging moest voortkomen uit een “goddelijk gebod”. Men koppelde een “externe bron” aan het gewetensbegrip. In 1962 wordt de wet verruimd (Wet gewetensbezwaren militaire dienst 1962) en het gewetensbegrip geseculariseerd: het betreft een “godsdienstige of zedelijke overtuiging die verbiedt deel te nemen aan wapengeweld tussen staten”.

Andere wetten waarbij gewetensvrijheid o.b.v. een godsdienstige overtuiging worden genoemd zijn: Leerplichtwet 1900, Invaliditeitswet (1913; verzekeringsplicht), Wet bestrijding TBC Rundvee (1953), Land- en tuinbouwongevallenwet (1922), Besmettelijke ziektenwet (1928), Wet immunisatie militairen (1953).

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) stelt in artikel 1 dat alle mensen een geweten hebben: “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.”

De invulling van gewetensbezwaar wordt in Nederland anders in de Wet gewetensbezwaren militaire dienst 1978: het geweten heeft hier een zelfstandig karakter. Er komt ook ruimte voor politieke of filosofische overtuigingen: “Ernstige gewetensbezwaren in de zin van deze wet zijn de onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de persoonlijke vervulling van militaire dienst in verband met het gebruik van middelen van geweld waarbij men door dienstvervulling in de Nederlandse krijgsmacht kan worden betrokken.” De vrijheid van het geweten wordt niet meer gekoppeld aan een bepaalde, externe voedingsbron. Het is enkel een subjectieve instantie, gekenmerkt door morele ernst, tot uitdrukking komend in de algemeenheid van de gewetensnorm en de bereidheid nadelen te dragen om overeenkomstig die norm te kunnen handelen.

Actuele situatie wetgeving en gewetensbezwaar

In de moderne wetgeving wordt de gewetensvrijheid meer vormgegeven in bepaalde zorgvuldigheidsnormen. Dit is zeker het geval in de volgende medische wetten.

a. Wet Afbreking Zwangerschap (Wafz; “Abortuswet)

In artikel 5, eerste lid, van deze wet, die in 1984 in werking i getreden, is bepaald: “Bij algemene maatregel van bestuur worden eisen gesteld met betrekking tot hulpverlening en besluitvorming, welke erop zijn gericht te verzekeren dat iedere beslissing tot het afbreken van zwangerschap met zorgvuldigheid wordt genomen en alleen dan uitgevoerd, indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt.” Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz). Een van die zorgvuldigheidseisen is, dat met de vrouw die abortus wenst, een of meer gesprekken worden gevoerd. Belangrijk is artikel 20, eerste lid, Wafz: “Niemand is verplicht een vrouw een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, te geven, dan wel daaraan medewerking te verlenen.” En artikel 20, tweede lid, Wafz: “Indien de arts gemoedsbezwaren koestert tegen het verrichten of doen verrichten van de behandeling, stelt  hij de vrouw onverwijld nadat zij zich tot hem heeft gewend, daarvan in kennis.”

b. Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (“Euthanasiewet”)

In deze, in 2002 in werking getreden wet, is niet uitdrukkelijk is bepaald dat een arts euthanasie mag weigeren, maar dit volgt wel uit het systeem van de wet. In beginsel zijn euthanasie en hulp bij zelfdoding strafbaar gesteld in artikelen 293, lid 1, en 294, lid 1, Wetboek van strafrecht. Die strafbaarheid is echter niet van toepassing als de betrokken arts bepaalde zorgvuldigheidseisen in aanmerking neemt. En die zorgvuldigheidseisen staan vermeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Een arts mag dus onder bepaalde voorwaarden euthanasie en hulp bij zelfdoding toepassen, maar hij is daartoe niet verplicht.

Er is een KNMG-KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, die bepaalt dat euthanasie of hulp bij zelfdoding “geen recht is van de patiënt”.  Hoewel dit niet uitdrukkelijk in de wet staat, wordt dit in deze richtlijn als volgt geformuleerd: “Euthanasie of hulp bij zelfdoding is geen recht van de patiënt. Ook is het geen plicht van de arts of apotheker om aan euthanasie of hulp bij zelfdoding mee te werken. Elke individuele arts of apotheker mag daarom medewerking aan de uitvoering van euthanasie of hulp bij zelfdoding weigeren.” En “Bij principiële bezwaren tegen euthanasie en hulp bij zelfdoding stelt de arts de patiënt in de gelegenheid om in contact te treden met een collega-arts die geen (principiële) bezwaren heeft tegen euthanasie en hulp bij zelfdoding. Zo ook stelt een apotheker die bezwaren heeft, de uitvoerend arts in de gelegenheid om zich tot een collega-apotheker te wenden. Er is geen sprake van een juridische verwijsplicht, maar wel van een morele en professionele verantwoordelijkheid om de patiënt tijdig hulp te verlenen bij het vinden van een arts c.q. apotheker die geen bezwaren heeft tegen euthanasie of hulp bij zelfdoding.”

Gewetensbezwaar onder druk

De erkenning van gewetensbezwaar op basis van een persoonlijke levensovertuiging heeft het risico in zich dat er wildgroei optreedt en mensen zich op zeer persoonlijke normen gaan beroepen. De pro-abortus activisten proberen, zoals in de inleiding gemeld, gewetensbezwaar tegen abortus in te perken door te proberen abortus te laten erkennen als mensenrecht. Bolt en van Dijk (Medisch Contact, 2015) bepleiten voor de Nederlandse situatie ook om de ruimte voor gewetensbezwaar in de gezondheidszorg beperkt te houden door toetsing aan een aantal criteria:

  1. Het moet een ernstige inbreuk op diepe, oprechte overtuiging zorgverlener betreffen, die past in een levensverhaal. B.v. bij iemand die geen dagdiensten wil doen in de Ramadan, moet ook duidelijk zijn dat hij/zij gewoonlijk tijdens de Ramadan vast.
  2. Het bezwaar moet overeenkomen met empirische feiten. Een verpleger die geen homoseksuele mensen wil wassen, omdat hij denkt dat homoseksualiteit een besmettelijke ziekte is, zou geen beroep mogen kunnen doen op gewetensbezwaar, omdat dit strijd is met de empirie (homoseksualiteit is niet besmettelijk en overdraagbaar).
  3. Er moet een plausibele morele of religieuze reden zijn, een gevoel is niet genoeg. Haarluis niet willen behandelen vanwege “respect voor al wat leeft”, zou niet gehonoreerd moeten worden.
  4. Datgene waar men bezwaar tegen heeft, is geen essentieel deel van het werk: een persoon die bezwaar heeft tegen IVF, moet maar niet in een vruchtbaarheidskliniek gaan werken.
  5. Lasten voor de patiënt moeten aanvaardbaar zijn, de patiënt moet hoe dan ook de behandeling kunnen krijgen die hij wil. De veiligheid van de patiënt mag evenmin in het geding zijn: op een afdeling met immuungecompromitteerden moeten medewerkers zich laten vaccineren. Er is daar geen ruimte voor gewetensbezwaar tegen vaccinatie.
  6. Lasten voor collega’s / instituut moeten klein zijn, de lastige klussen moeten niet altijd op dezelfde schouders terechtkomen.

Conclusies

Het geweten is voor de mens een belangrijk kompas bij het kiezen tussen goed en kwaad. Door zijn geweten te volgen kan de mens gehoorzamen aan de wil van God. Het is daarbij wel belangrijk dat de mens zijn geweten zijn gehele leven blijft vormen en voedt aan zijn externe Bron, God zijn Schepper. In het rechtssysteem wordt het persoonlijke geweten en gewetensbezwaar erkend. In eerste instantie was gewetensbezwaar daarbij gekoppeld aan een godsdienstige overtuiging. In de tweede helft van de 20e eeuw werd dit uitgebreid naar andere vormen van levensovertuiging. Omdat dit in een neo-liberale, sterk op autonomie gebaseerde samenleving zou kunnen betekenen dat er een beroep gedaan wordt op gewetensbezwaar op basis van zeer persoonlijke overtuigingen of normen, zijn er ook bewegingen om de mogelijkheden van gewetensbezwaar in te perken. Gewetensbezwaar op basis van een godsdienstige overtuiging wordt daarbij niet zondermeer gespaard. Het Matic rapport bewijst dat het in deze tijd noodzakelijk blijft ruimte voor gewetensbezwaar op te blijven eisen.


Laat een katholiek zich vaccineren tegen het Corona-virus?

Er is momenteel veel discussie over wel of niet vaccineren tegen het Sars-CoV-2 virus (Coronavirus). Ook onder Rooms-katholieken. Er zijn inmiddels als meerdere artikelen over verschenen.

Overzicht van alle artikelen over COVID-19 en vaccinatie tegen SARS-CoV-2 bij de Katholieke Stichting Medische Ethiek

Een selectie hieruit:

Engelstalige notitie van de Congregatie voor de Geloofsleer – 21 december 2020

Document van de bisschoppen van de Verenigde Staten over vaccinatie tegen Sars-CoV-2 – 14 december 2020

Interview met kardinaal dr. W.J. Eijk over vaccinatie tegen Sars-CoV-2 – 8 december 2020

Vaccinatie: door God verboden of juist mogelijk gemaakt? Nederlandstalig artikel van prof.dr. Frans J. van Ittersum en dr. Lambert J.M. Hendriks over vaccinatie in het algemeen (niet over vaccins tegen SARS-CoV-2)

Nederlandstalig artikel van dr. Lambert J.M. Hendriks en prof.dr. Frans J. van Ittersum waarin de ontwikkeling en productie van de acht door de EU aangekochte vaccins en het Sputnik-V vaccin wordt ingegaan evenals op de moraaltheologische aspecten van vaccinatie tegen Sars-CoV-2 – 22 november 2020, revisie 13 oktober 2021


Voltooid leven een te rooskleurige term

Katholiekleven.nl, 16 juli 2021

Lotte Voets is specialist ouderengeneeskunde en bestuurslid van het Netwerk Katholieke Zorgprofessionals Nederland. Wat haar betreft is het “een mooie combinatie tussen enerzijds gespecialiseerde medische zorg en anderzijds echt naar heel de mens kijken.” Daarnaast is ze voor haar werk met ethiek bezig. We spreken met haar in een podcast over voltooid leven en de discussie over verruiming van de euthanasiewet (Wet toetsing levensbeëindiging).


Aartsbisdom roept op tot gebed voor overwinning van de coronapandemie

Katholiek Nieuwsblad, 3 mei 2021

Kardinaal Wim Eijk roept alle gelovigen van het aartsbisdom Utrecht op tot gebed om de coronaviruspandemie te overwinnen. In de Mariamaand mei wordt onder andere wereldwijd in alle Mariabedevaartplaatsen mede voor deze intentie de rozenkrans gebeden.

“In alle Mariabedevaartplaatsen ter wereld wordt deze maand veelvuldig de rozenkrans gebeden mede tot intentie van de overwinning op de coronaviruspandemie”, schrijft de aartsbisschop van Utrecht.

“Hierbij roep ik alle gelovigen in het Aartsbisdom Utrecht op om vooral deze Meimaand in gebed met elkaar verbonden te zijn dat de coronaviruspandemie spoedig overwonnen zal worden, in het bijzonder door het bidden van de rozenkrans.”

India en Brazilië

De kardinaal nodigt ook uit tot gebed voor mensen in andere landen, die alle op dit moment noodzakelijke medische zorg en andere hulp ontberen.

“De beelden die ons uit India en Brazilië hebben bereikt zijn diep tragisch en spreken voor zich. Bidden we ook voor allen die eenzaam zijn, wanhopig en dagelijks de pijnlijke gevolgen dragen van besmettingen met het coronavirus. Moge de Heer hen kracht geven bij dit alles en uitkomst”, aldus Eijk.

Gebedsmarathon

De aartsbisschop van Utrecht sluit zich met het initiatief aan bij de oproep die paus Franciscus onlangs deed tot een wereldwijde gebedsmarathon in de meimaand, om te bidden voor een einde aan de coronapandemie.

Bisdommen en heiligdommen in de Benelux gaven gehoor aan de oproep.

Gebeden op de website van NKZN


Ben jij IC-waardig: impliciete keuzes in COVID-19 tijd

PowerPoint-presentatie van de lezing van dr. Elisa Garcia Gonzalez en prof.dr. Frans J. van Ittersum op 24 oktober 2020.


De Sociale Leer van de Kerk als perspectief op de coronacrisis

door prof. dr. Fred van Iersel  (Geldrop 1954), Tilburg University, docent sociale encyclieken bij het International Institute Canon Triest te Gent, bestuurslid van het Centrum voor de Sociale Leer van de Kerk van het Bisdom Haarlem-Amsterdam

Het is me een eer en genoegen om vandaag met u mee te denken over de morele aspecten van de coronacrisis – en vooral over onze respons op de cisis. Ik zal vandaag proberen om de coronacrisis te belichten vanuit de Sociale Leer van de Kerk (SLK). Paus Franciscus heeft het ons wat dat aangaat wat makkelijker gemaakt. Want in 2017 liet hij een update publiceren van het Health Care Charter van het Vaticaan, en  in zijn recente tweede sociale encycliek van 3 oktober 2020  – met de titel Fratelli Tutti- heeft hij ook zijn visie op onze respons op de crisis gegeven.  Uiteraard ga ik daar op in. Maar eerst wil toch graag de kern van de sociale leer meer in het algemeen in vogelvlucht schetsen.

1. De sociale leer in vogelvlucht

Een overzicht geven van de SLK is korte tijd is natuurlijk lastig, maar niet hopeloos. In 2004 verscheen een geautoriseerde samenvatting van de katholieke sociale leer (SLK), dat wil zeggen: van de visie van de katholieke Kerk op de inrichting en het functioneren van overheid, economie en samenleving. Natuurlijk wordt deze visie ontwikkeld vanuit een gelovig, kerkelijk en theologisch perspectief. Maar de bestuurlijke wijsheid van 20 eeuwen bestuurservaring in samenleving en overheid is er ook in verwerkt. En natuurlijk is  weliswaar een van de ijkpunten hoe godsdienst en levensovertuiging in de samenleving en door de overheid ‘recht’ kan en moet worden gedaan. Maar toch is dat ‘belang’van de religie  niet de blikrichting. Die is juist omgekeerd: don’t ask what your country can do for your church, but ask what your church can do for your country, zou je met een variant op een bekend gezegde van de Amerikaanse president John Kennedy kunnen zeggen.  

Het Compendium is in 2004 gepubliceerd door de Pauselijke Raad voor Gerechtigheid en Vrede. Dat was een in 1974 opgerichte adviesraad voor de paus over maatschappelijke aangelegenheden. Paus Franciscus heeft deze Raad omgedoopt tot Dikasterie  – oftewel Ministerie – voor de bevordering van integrale menselijke ontwikkeling, en in deze nieuwe Dikasterie ook andere  pauselijke organen opgenomen, bijvoorbeeld voor ontwikkelingssamenwerking. De huidige Dikasterie  is een belangrijk orgaan, dat poogt om de katholieke sociale leer te vertalen in op de samenleving gerichte visies en programma’s. Zij is dus een maatschappelijke denktank van de wereldkerk.

Welnu, in 2008 verscheen de Nederlandse vertaling van het Compendium van de Sociale Leer die overigens gratis toegankelijk is op internet: www.vatican.va en in het Nederlands via  www.RKDocumenten.nl. Dit Compendium biedt een goed overzicht over de kern van de sociale leer, maar is in 2020 natuurlijk niet meer helemaal up to date.

Sinds  het Compendium verschenen namelijk nog drie sociale encyclieken van pausen: in 2009 Caritas in Veritate van paus Benedictus XVI – met onder meer een reflectie over de financiële crisis van 2007- , in 2015 LaudatoSi’van paus Franciscus – de klimaatencycliek- en in 2020 Fratelli Tutti van onze huidige paus- met een oproep tot universele en inclusieve broeder- en zusterschap, dus ook solidariteit.

1.1 Ter introductie: betekenis van de Sociale Leer

Bij de herleving – of misschien kunnen we beter zeggen: de vitalisering – van de SLK die we zien in de wereldkerk, spelen verschillende factoren een rol. Binnenkerkelijk is er een stevige impuls aan de SLK gegeven door het verschijnen van het Compendium van de katholieke sociale leer van de Kerk in 2004 met de Nederlandse vertaling in 2008. In de Nederlandse samenleving is er ook een opleving van de interesse in de SLK waarneembaar. Die heeft volgens mij te maken met vier gegevens.

  • Om te beginnen is in de moderne democratische rechtsstaat in de achterliggende decennia tot de eeuwwisseling heel veel nadruk komen te liggen op procedures en protocollen van overleg, die participatie van burgers, democratische controle en rechtsgelijkheid waarborgen. Maar de richting waarin de samenleving zich zou kunnen en moreel gezien zou behoren te ontwikkelen  – de inhoudelijke normativiteit –  kwam daardoor – vooral in de jaren negentig- vee; minder ter sprake dan nodig. Dat kon Nederland zich ook permitteren, omdat in de jaren negentig van de vorige eeuw in de context van een sterke economie alles financierbaar was, en dus debat over prioriteiten tegen de achtergrond van schaarste vermeden kon worden.
  •  Op de tweede plaats heeft de Nederlandse samenleving na en door de ontzuiling in de achterliggende decennia een mechanisme ontwikkeld voor morele consensusvorming in de maatschappij, dat wel wordt aangeduid als ‘culturele generalisatie’: de cultuur is verschoven van aandacht voor concrete normen naar aandacht voor abstracte waarden (waarover dan een – zij het dan een vage, abstracte – moreleconsensus bestaat), met als maatschappelijk voordeel dat pluralisme legitiem is. Echter de abstracte waarden zijn vaak niet voldoende operationeel om met elkaar te debatteren over hoe je de samenleving inricht en wil laten functioneren. In dat vacuüm is de SLK potentieel interessant voor de samenleving, omdat die zowel fundering biedt als op concretisering is gericht. In deze twee contexten valt bovendien het feit dat sinds de eeuwwisseling de individualisering over haar hoogtepunt heen is – ik baseer me hier op een Amerikaanse cultuursocioloog Yankelovitch – , in die zin dat mensen steeds meer ontdekken dat ze voor bepaalde zaken van elkaar afhankelijk blijven, zoals het ondeelbaar collectieve goed veiligheid, maar ook solidariteit in zorg, onderwijs, de idee van een nationale identiteit, enzovoorts. Dat merken we nu ook in de coronacrisis: de cultuur moet wennen aan de grenzen van de hyperindividualiteit die nog mogelijk was in een bijna permanente hoogconjunctuur, en dat we moeten wennen aan de nieuwe onderlinge afhankelijkheid.
  • Ten derde: deze wending naar een nieuwe collectiviteit gaat niet zonder slag of stoot. Integendeel, ze leidt al sinds de eeuwwisseling tot felle politieke strijd in de gezondheidszorg, de pensioenwetgeving, de strijd om toegang tot de arbeidsmarkt enzovoorts. Steeds is de inzet de voorwaarden voor solidariteit: tussen gezonden en patienten, tussen generaties en tussen werkenden en niet-werkenden. En in die politieke strijd gaat het nu juist erom dat de ‘culturele generalisatie’ niet meer voldoende kader biedt: er is meer concretisering van beleids – en gedragsnormen nodig voor het openbare leven. Ten dele moeten we terug van de algemene waarden en normen naar de concrete, en dus van grofmazige cultuur naar fijnmazige, van ‘ieder zijn vrijheid’ naar ‘elkaar aanspreken in debat, dialoog en in de normhandhaving.  Maar waar komen die waarden en normen vandaan en  hoe bouwen we hun acceptatie op? Hier liggen kansen voor de SLK, zeker in de huidige maatschappelijke context, waarin de financieel-economische crisis scherpe sociale problemen en conflicten zichtbaar zal maken in onze samenleving.
  • Ten vierde: de katholieke kerk was de eerste globaliserende instelling ter wereld. In een tijd van globalisering en spanning rond ‘ ontglobalisering’ en ‘anders-globalisering’  is zowel de internationale structuur als de ervaring en expertise zoals gestold in de SLK zeer waardevol.

Zo bevat het Compendium een samenvatting, actualisering, concretisering  en vitalisering van de katholieke sociale leer: een samenvatting, nodig vanwege de omvang van het geheel aan gezaghebbende teksten.

  • Een actualisering: iedere samenvatting bevat een selectie en legt accenten, zo ook deze. De nadruk ligt op de waardigheid van de menselijke persoon. In eerdere fasen lag meer accent op het bonum commune. Een concretisering: er worden – tegen de achtergrond van de theologische fundering en de morele beginselen-  vele suggesties voor maatschappelijk en politiek handelen gedaan – die direct implementeerbaar zijn. En ook een vitalisering: de tekst is gericht op het verankeren van de SLK in het geheel van kerkelijke activiteiten, en de ontwikkeling van permanente educatie aan katholieke leken.

1.2 Het Compendium van de SLK in een thematische samenvatting

Wat is de katholieke sociale leer?

De katholieke sociale leer bevat de door het Evangelie geïnspireerde visie van het kerkelijk leergezag op de inrichting en het functioneren van de samenleving, ‘die de vrucht is van een zorgvuldige magisteriële reflectie
(dus van het leergezag, FvI) en de uitdrukking van de ononderbroken zorg van de Kerk, in trouw aan de genade van het door Christus bedongen heil en uit liefdevolle zorg voor het lot van de mens’ (vgl. Compendium no. 8).

Voor wie is de katholieke sociale leer bedoeld?

Zij is bedoeld voor alle gelovigen en voor alle mensen van goede wil die willen nadenken over de inrichting van de samenleving en inspiratie zoeken om aan de samenleving bij te dragen. Dat kan, want in de katholieke sociale leer wordt over beginselen en waarden gesproken op een manier die voor gelovigen en alle andere mensen van goede wil met behulp van het natuurlijke verstand, dat wij als schepselen Gods  die naar Zijn beeld en gelijkenis zijn geschapen delen,  inzichtelijk is.

Waarom is er een katholieke sociale leer?

Het christelijke geloof inspireert mensen tot navolging van Jezus Christus, maar het is voor mensen niet altijd meteen duidelijk tot welke bijdragen aan de samenleving dit zou kunnen, of behoren te,  leiden. Daarom helpt het leergezag bij het vinden van een richting hierbij. Dat werkt bijvoorbeeld zo bij het nadenken over de invulling van het parochiële caritas werk, over de toekomst van de zorg, en over de toekomst van de arbeid. Daarnaast heeft de katholieke sociale leer ook veel te zeggen over de publieke sector.

Wat is het doel van de katholieke sociale leer?

Het katholieke sociale leer is ‘een instrument voor de morele en pastorale onderscheiding van de gebeurtenissen die onze tijd kenmerken; als een gids ter inspiratie, op het individuele en het collectieve niveau, van houdingen en keuzes die alle mensen zullen toelaten om de toekomst met een groter vertrouwen en een grotere hoop tegemoet te zijn; als een hulp voor de gelovigen in verband met het onderricht in de sociale moraal van de Kerk’ (Compendium, no. 10).

Wat is de opdracht van de Kerk in relatie tot de katholieke sociale leer?

De Kerk heeft tot taak het evangelie in de samenleving vrucht te laten dragen, door de maatschappij te doordringen en verrijken met het Evangelie. Zij moet’ zout der aarde ‘(Mt. 5:13) en’ licht der wereld’(Mt. 5:14) zijn.  Door de samenleving te helpen bij de inrichting ervan, draagt ze daar aan bij.

De sociale leer van de Kerk  heeft drie lagen: (a)  de laag van de gelovige, ook  Bijbelse fundering, (b) de laag van de  principes, waarden, normen en deugden , en (c)  de laag van de toepassing van de principes, waarden en normen.

Voor katholieken is de sociale leer op de eerste twee niveaus bindend voor het geweten. Op het derde niveau, de toepassing, velt de kerk meestal alleen schattingsoordelen over situaties en handelwijzen. Aan die inschattingen verbindt de kerk zelf niet steeds  hetzelfde gezag als aan de eerste twee lagen.

Welke grondslag heeft de katholieke sociale leer in het katholieke geloof?

Dat is Gods liefdesplan voor de mensheid, waarin God de menselijke persoon in Jezus Christus liefdevol aanvaardt en opneemt in Zijn heilsplan.

Wat is de kern van het mensbeeld dat in de katholieke sociale leer is uitgedrukt?

De mens is een persoon, dat wil zeggen een mens met transcendente oorsprong en bestemming als beeld van God. Omdat de mens een beeld van God is, komt hem of haar een absolute of intrinsieke waardigheid toe.  Die waardigheid moet altijd en overal worden geëerbiedigd, bevorderd en behoed. Die waardigheid is in volle glorie hersteld door de verlossing van de mens door Jezus Christus.

Er is dus een dubbele fundering van de waardigheid van de mensen: in de antropologie het beeld van de mens as schepsel naar Gods beeld en gelijkenis) en daarnaast in de leer over Christus: in de menswording van God. . 

Het persoon- zijn van de mens heeft een transcendente en een sociaal-maatschappelijk aspect. Het transcendente aspect heeft betrekking op de openheid van alle mensen voor God en de relatie van de mens met God.

Het sociaal-maatschappelijk aspect heeft betrekking op het feit dat mensen inherent sociale wezens zijn die op andere mensen betrokken zijn. Morele betrokkenheid, binding en gezamenlijke zelforganisatie zijn hiervoor wezenlijk. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in huwelijk en gezin, in het onderwijs, zorg, en arbeid. Hierin speelt steeds een sterke betrokkenheid van mensen op elkaar mee.

De katholieke sociale leer staat in dit verband voor een ‘integraal humanisme’, dat wil zeggen met openheid voor de transcendente oorsprong en bestemming van de mens, en tegelijk met oog voor de intrinsiek sociale natuur van de mens.

Wat is  de morele betekenis van de menselijke persoon? 

De menselijke persoon is constitutief verbonden met God. (Compendium. No. 109). De relatie tussen God en mens wordt weerspiegeld in de relationele en sociale dimensie van de menselijke natuur (Compendium, no. 110).

De menselijke persoon is een mysterie, dat niet gereduceerd kan of mag worden door een mensbeeld dat tekort doet aan de transcendente en sociaal-maatschappelijke aspecten van het persoon – zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat mensen niet alleen voor hun economische rollen als prodcent of consument moeten leven, zonder ontvankelijkheid van wat God geeft aan ieder mens.

Persoon – zijn is niet zo maar hetzelfde als individu zijn. Het ínvividu lijkt op een atoom dat vrij en zonder binding door de ruimte zweeft. Maar de mens is geen door zichzelf en steunend op zichzelf opgebouwd wezen, maar inherent verbonden met andere personen, in bewogenheid, betrokkenheid, verantwoordelijkheid en zorg.

De mens is ook niet louter een cel van een maatschappelijk organisme- de persoon gaat nooit op in collectivisme.  Individualisme en collectivisme moeten daarom beide worden verhinderd in de benadering van de mens.

De sociale leer nodigt uit om wat goed en waardevol is voor de mens, overal te zoeken waar het gevonden kan worden.

De persoon is bovendien eenheid van lichaam en ziel. Door zijn lichamelijkheid verenigt de mens in zich de elementen van de materiële wereld. Dank zij zijn geestelijke geaardheid overstijgt de mens alle dingen en dringt hij door tot de diepste structuur van de realiteit (Compendium, no. 128).

De menselijke persoon is intrinsiek open voor transcendentie: voor het oneindige en de door God geschapen wezens.

Iedere menselijke persoon is uniek en onherhaalbaar.

Aan iedere persoon komt respect voor haar waardigheid toe.

Vanwege de waardigheid mag de menselijke persoon niet worden gemanipuleerd voor doeleinden die vreemd zijn aan de eigen ontwikkeling, die slechts volledig vervulling kan vinden in God en Zijn heilsplan (Compendium, no. 133).

Authentieke sociale veranderingen zijn alleen effectief en duurzaam in de mate dat zij gebaseerd zijn op resolute veranderingen in het persoonlijke gedrag (Compendium, no.134).

Aan de menselijke persoon komt vrijheid toe; die hoort bij zijn waardigheid.

Waarom is de menselijke persoon volgens de katholieke sociale leer zo belangrijk?

De menselijke persoon is het beeld van God: “de levende mens is de eer van God” (Irenaeus van Lyon, 187 na Christus) . De menselijke persoon is belangrijk, omdat de mens op zijn relatie met God is aangelegd, en tegelijk ook in verbinding met andere mensen leeft.

De waardigheid van de menselijke persoon is volgens de katholieke sociale leer de grondslag voor de toekenning van rechten aan de mens, zowel in morele als in juridische zin.

De waardigheid van de menselijke persoon is tevens de grondslag van de katholieke visie op mensenrechten. Zij is ook de theologische reden waarom de katholieke Kerk de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aanvaardt, (die in 1963 op morele gronden bevestigd zijn door de katholieke Kerk.

Wat is de opdracht van de Kerk in relatie tot de menselijke persoon?

De Kerk is het teken en de bescherming van de transcendentie van de menselijke persoon. Ieder mens komt uit God voort en vindt ook in God zijn bestemming; de Kerk behoedt dit.

Na deze algemene beschouwing over de persoon – het ‘personalisme’- zijn we toe aan de concrete uitgangspunten voor de moraal en ethiek. We stellen achtereenvolgens de vraag naar principes, waarden en deugden.



1.2.1 Wat zijn de belangrijkste principes van de Sociale Leer van de Kerk?

Dat zijn: het algemeen welzijn; de universele bestemming van goederen; het subsidiariteitsbeginsel; participatie en het solidariteitsbeginsel (de toelichting volgt hieronder) .

Wat houdt het principe van het algemeen welzijn volgens de katholieke sociale leer in?

Het algemeen welzijn is “het totaal van die sociale voorwaarden, waardoor zowel groepen als enkelingen hun eigen volmaaktheid vollediger en vlugger kunnen bereiken” (Compendium, no. 164).

Het algemeen welzijn vloeit voort uit de waardigheid, de eenheid en de gelijkheid van alle mensen. Elk aspect van het sociale leven moet zich richten op het algemeen welzijn om zijn diepste betekenis te kunnen bereiken.

Iedereen is verantwoordelijk voor het algemeen zijn, niet alleen bepaalde personen, bestuursorganen of instellingen.

Ook de overheid moet zich richten op het algemeen welzijn, want het algemeen welzijn is niet minder dan de bestaansreden zelf van het politieke gezag. Dit betekent dus ook dat de overheid zich moet richten op een beginsel dat haar zelf fundeert en overstijgt. Niet de overheid bepaalt de publieke moraal, maar zij wordt – in de katholieke visie – zelf juist ethisch genormeerd door het algemeen welzijn.

Wat houdt het principe van de universele bestemming van goederen volgens de katholieke sociale leer in?

“God heeft de aarde met alles wat daarin is bestemd voor het gebruik van alle mensen en volken, zodat de geschapen goederen in een billijke verdeling aan allen moeten toekomen, onder de schutse van de gerechtigheid, vergezeld van de liefde”(Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale Constitutie Gaudium et Spes, 69: AAS 58 (1966), 1090; Compendium no. 171).

De sociale leer van de Kerk erkent de individuele eigendom van goederen. Want door de arbeid maakt de mens een deel van de aarde tot het zijne, het deel dat hij zich met zijn arbeid verworven heeft. Hier ligt de oorsprong van de individuele eigendom (Compendium, no. 176). 

 De katholieke sociale leer richt zich op het normeren van het gebruik van individuele eigendom. De sociale leer is dus enerzijds tegen communisme als een economisch stelsel dat het recht op particulier eigendom ontkent, maar ook tegen een vorm van kapitalisme dat zich niet bekommert om een billijk universeel gebruik van goederen. Je kut het ook zo zeggen: privébezit is geen doel, maar middel. Het is enkel een instrument voor de bescherming van de universele bestemming van goederen (Compendium 177).Uit die universele bestemming van goederen volgt de voorkeursoptie voor de armen (Compendium, no. 182). In feite is onze omgang met de allerarmsten de maatstaf voor een werkelijk universele bestemming van goederen.

Wat is het subsidiariteitsbeginsel volgens de katholieke sociale leer?

“Evenals datgene, wat de individuen op eigen initiatief en door eigen kracht presteren, hun niet ontnomen en aan de gemeenschap opgedragen mag worden, zo is het ook een onrecht en tegelijk een ernstig nadeel, ja een verstoring van de goede orde, om datgene wat door een kleinere en ondergeschikte gemeenschap gedaan en tot stand gebracht kan worden, naar een grotere en hoger in rangorde staande gemeenschap te verwijzen. Iedere sociale bemoeiing moet, krachtens haar natuur, hulp brengen aan de leden van het sociale lichaam, maar ze nooit vernietigen of opslorpen

Op basis van dit principe moeten alle maatschappijen van een hogere rangorde een houding aannemen van hulp (“subsidium”) – dus van ondersteuning, van bevordering, van ontwikkeling – tegenover maatschappijen van een lagere rangorde” (Compendium 186).

Het subsidiariteitsbeginsel betekent dus dat verantwoordelijkheden zo laag mogelijk in staten, in samenlevingen en in bedrijven en organisaties moeten worden gesitueerd. Tegelijkertijd betekent dit niet dat er geen ingrijpen van hogere organen mogelijk is, maar dit moet gebaseerd zijn op een houding van hulp. Het is een  beginsel dat verschillende bestuurslagen laat scharnieren.

Het subsidiariteitsbeginsel neemt de manier waarop personen zichzelf binden en zichzelf organiseren als uitgangspunt voor de inrichting en besturing van de samenleving.

Het subsidiariteitsbeginsel laat verschillende bestuurlijke niveaus in overheid en samenleving ‘scharnieren’. Het biedt een vitale tussenweg tussen totale – en potentieel totalitaire – overheidsbemoeienis met alle sectoren van de samenleving enerzijds en totale afzijdigheid, onverschilligheid of gebrek aan verantwoordelijkheid anderzijds.

Het is dus niet zozeer een manier om zich onder in de samenleving  van de overheid af te schermen, of van hogere niveaus in een organisatie, als wel een scharnierbeginsel dat afstemming tussen niveaus regelt.

Wat is participatie volgens de katholieke sociale leer? 

Het subsidiariteitsbeginsel opent door de oriëntatie op lagere bestuurslagen de weg voor participatie van zo veel mogelijk personen in een samenleving of sector daarvan. Participatie is daarom volgens de SLK een beginsel dat voortvloeit uit goede toegepaste subsidiariteit. Zij komt tot uitdrukking in een reeks van activiteiten waarmee de burger, hetzij als individu hetzij in associatie met anderen, hetzij direct hetzij via vertegenwoordiging, bijdraagt tot het culturele, economische, politieke en sociale leven van de gemeenschap van burgers waartoe hij behoort. Participatie is een plicht die bewust door allen moet worden vervuld, met zin voor verantwoordelijkheid en gericht op het algemeen welzijn (Compendium, no. 189).

Wat is het solidariteitsbeginsel volgens de katholieke sociale leer?

De solidariteit is uitdrukking van de intrinsiek sociale natuur van de menselijke persoon, de gelijkwaardigheid van iedereen in waardigheid en rechten en de gemeenschappelijke weg van individuen en volken naar een steeds meer overtuigde eenheid.

Solidariteit is het passende antwoord op de sterke onderlinge afhankelijkheid tussen individuen en de volken.

Solidariteit wordt als gevolg van globalisering nog steeds belangrijker: “(…) het proces van de versnelling van de onderlinge afhankelijkheid tussen de personen en de volken moet samengaan met een gelijkaardig intens engagement op het sociaal-ethische vlak (…)”(Compendium, no. 192).

1.2.2 Wat zijn de belangrijkste waarden van het sociale leven?

Naast de principes zijn er ook waarden in de SLK opgenomen. Dat zijn volgens het Compendium: Waarheid, vrijheid, gerechtigheid en liefde (toelichting volgt weer hieronder).

Wat verstaat de katholieke sociale leer onder waarheid als waarde?

Iedere mens heeft de specifieke plicht zich altijd te keren naar de waarheid, haar te respecteren en van haar op een verantwoordelijke wijze te getuigen.

‘Leven in waarheid’ krijgt een bijzondere betekenis in sociale relaties.

Hoe meer mensen zich inspannen om de sociale problemen op te lossen in overeenstemming met de waarheid, des te meer wenden zij zich af van de willekeur en handelen zij conform de objectieve eisen van de moraliteit.

Het waarheidsbegrip in de sociale leer heeft dus betrekking op oprechte pogingen de werkelijkheid zoals zij is te begrijpen en duiden. Het heeft betrekking op de totale werkelijkheid in al haar aspecten.  Het duidt dus allereerst op een openheid voor wetenschappelijke waarheid, ook al erkennen we tegelijk dat alle menselijke kennen van de natuur en de sociale werkelijkheid stukwerk is. Natuurlijk heeft het waarheidsbegrip als waarde ook betrekking op het goed recht van wetenschapsbeoefening. Wat waar is, mag en moet onderzocht worden, natuurlijk met inachtneming van de sociaal-maatschappelijke verantwoordelijkheid van wetenschappers. Ook wetenschapsbeoefening moet bijdragen aan het algemeen welzijn. Zo zag men bij de persconferentie ter gelegenheid van de presentatie van de encycliek LaudatoSi’ in 2015 een atheistische natuurwetenschapper uitleg geven over klimaatverandering- op uitnodiging van paus Franciscus. Niet bang zijn voor wetenschappelijke waarheden hoort bij de geloofshouding.

De maatschappelijke betekenis van waarheid als waarde blijkt bijvoorbeeld uit het bestrijden van vooroordelen, zoals etnocentrisme, racisme, antisemitisme, en misverstanden over andere religies, en de bereidheid om sociaal onwenselijk nieuws niet als fake news te betitelen.

Het is van maatschappelijk belang om met elkaar om te gaan op basis van adequate beelden van elkaars identiteit, bedoelingen, doelen en praktijken.

Waarheid is ook van belang voor het persoon – zijn van alle mensen: zij moeten de waarheid omtrent zichzelf en hun relaties met andere personen zo goed mogelijk kennen om volledig en waarachtig mens te kunnen zijn. Dit stelt eisen aan de cultuur die een veilig klimaat voor het waarachtig zoeken en vinden van waarheid en voor de communicatie erover nodig heeft.

Ook in godsdienstig opzicht heeft ieder mens volgens de katholieke sociale leer het recht en de plicht om in vrijheid de waarheid omtrent God te zoeken.

De Kerk heeft het recht en de plicht de haar geopenbaarde geloofswaarheid toegankelijk te houden door die te verkondigen, aan mensen uit te leggen en te onderrichten, en aldus mensen bij te staan toegang tot de waarheid betreffende God en de menselijke bestemming te vinden.

Wat verstaat de katholieke sociale leer onder vrijheid als waarde?

Aan iedere menselijk persoon komt vrijheid toe: God heeft de vrijheid geschonken als ultiem merkteken van zijn beeld (Compendium, no.  135)

Vrijheid is niet tegengesteld aan de afhankelijkheid van de mens van God als schepsel. De Openbaring leert dat de macht om te bepalen wat goed en kwaad is zeker niet aan de mens toebehoort, maar aan God alleen (Gen. 2,16-17).

De uitoefening van de persoonlijke vrijheid vereist specifieke voorwaarden van economische, sociale, juridische en culturele aard.

Bij de uitoefening van de vrijheid stelt de mens goede daden die constructief zijn voor de persoon en voor de maatschappij, wanneer hij gehoorzaamt aan de waarheid, dat wil zeggen wanneer hij niet veronderstelt dat hij de schepper en de absolute meester is van waarheid of van ethische normen (Compendium, no. 138).

De waarheid omtrent goed en kwaad wordt praktisch en concreet herkend door het oordeel van het geweten, wat leidt tot het opnemen van de verantwoordelijkheid voor het goede dat men gedaan heeft en het kwade dat men bedreven heeft (Compendium, no. 139).

De vrijheid leidt niet tot morele willekeur, omdat waarachtige vrijheid wordt uitgeoefend onder verwijzing naar een natuurlijke morele wet met een universeel karakter, die aan alle wetten en plichten voorafgaat en deze verenigt.

 Die ‘natuurlijke zedenwet’ is het licht van het intellect dat ons door God werd ingeblazen.  Ze verbindt in de diversiteit van culturen door gemeenschappelijke principes voor te houden (Compendium, no. 141). Die benadering is dus optimistisch gestemd over de menselijke mogelijkhed het goede te kennen en te doen.

De natuurwet wordt niet teniet gedaan door de menselijke zonde.

Vrijheid is een belangrijke waarde, maar ze brengt ook steeds het risico met zich mee, van het verraden van de openheid voor waarheid en menselijke goedheid, en al te dikwijls verkiest ze kwaad en egoïstische opsluiting door zichzelf te verheffen tot de rang van godheid die goed en kwaad schept.

In de samenleving wordt vrijheid gerespecteerd wanneer het toegestaan is aan elk lid van de maatschappij om zijn persoonlijke roeping te realiseren. (Compendium, no. 200).  

Wat verstaat de katholieke sociale leer onder gerechtigheid  als waarde voor het samenleven?

Gerechtigheid bestaat in de “voortdurende en vaste wil om aan God en de naaste te geven waar ze recht op hebben” (Compendium, no. 201.)

Gerechtigheid is een waarde die samengaat met het beoefenen van de gelijknamige kardinale morele deugd.

De katholieke sociale leer onderscheidt verschillende aspecten van gerechtigheid:

– (a) juridische gerechtigheid, dat wil zeggen: gerechtigheid zoals ze tot uitdrukking komt in wetten, verdragen en regels. Hiervan is volgens de SLK bijzonder belangrijk dat ze niet strijdig mogen zijn met de natuurwet. Dat is spannend in verband met het recht op leven. Dit beinvloedt het denken over  moord, de doodstraf, oorlog, en natuurlijk  over abortus en  euthanasie;

– (b) ruilgerechtigheid (inzake alle onderlinge betrekkingen in de samenleving, ook in zorg en onderwijs, en inzake de ruil van goederen, herstel van schade,  en strafrecht);  

– © verdelende gerechtigheid: gerechtigheid van evenredige verdeling van de lasten. Dat is een type gerechtigheid dat nu in de zorg aan de orde is in de verhouding tussen Covidpatienten en niet-Covid patienten, en tussen gezondheidsorg en andere sectoren van het samenleven.

– (d) sociale gerechtigheid: gerechtigheid binnen de samenleving, vooral betreffende het opheffen van sociale uitsluiting en hiermee verbonden maatschappelijke verschijnselen zoals armoede, bestrijding van de achterstand in gelijkwaardigheid tussen man en vrouw in de samenleving, bestrijding van racisme. Kenmerkend voor sociale gerechtigheid is de aandacht voor structurele dimensies van problemen en hun oplossingen.

– internationale gerechtigheid, in relatie tot vrede: deze komt onder meer tot uitdrukking in het belang dat de katholieke sociale leer hecht aan het internationaal recht in het algemeen en mensenrechten in het bijzonder; aan versterking van de internationale gemeenschap, en aan ontwikkeling als weg naar vrede.

De katholieke sociale leer hecht veel waarde aan de rechtsstaat als garant voor gerechtigheid in een politieke gemeenschap.

Sedert het tweede Vaticaans Concilie is bijzondere aandacht besteed aan de sociale gerechtigheid en internationale gerechtigheid. Ook de ruime aandacht die door de Kerk wereldwijd wordt besteed aan mensenrechten – aan afzonderlijke mensenrechten en aan het geheel van verdragen hierover – vloeit voort uit het streven naar juridische, sociale en internationale gerechtigheid.

In de katholieke sociale leer wordt ook benadrukt dat ‘ de individuele waarde van de persoon, zijn waardigheid en zijn rechten ernstig worden bedreigd door de wijdverbreide tendens om exclusief de criteria van nut en bezit te hanteren’(Compendium, no. 202). 

Wat is het wezen van liefde als sociaal-ethische waarde?

God zelf is liefde, niet alleen in Zijn ‘zijn-voor ons’, maar tot in Zijn diepste wezen. Dit weten we,  omdat God zichzelf als Liefde heeft geopenbaard door zich als drie-ene God te kennen te geven. De Vader, de Zoon,  en de Heilige Geest hebben met elkaar een liefdesband. Steeds als we een kruisteken slaan, bevestigen we dit geloof.

God heeft zichzelf niet alleen, en zelfs niet op de eerste plaats,  geopenbaard in de beslotenheid van de huiskamer en het persoonlijk leven. Hij heeft zich juist in de geschiedenis geopenbaard, en wel in de geschiedenis van het eerste volk van God, de joden. Hij heeft het uit Egypte geleid. Met het joodse volk – als  historische  en collectieve, groep uitverkorenen,   heeft God het oude verbond gesloten en Zij ‘grondwet’ voor het samenleven, de tien geboden, geschonken. In deze zin is openbaring altijd ‘openbaar’ geweest. Ook het optreden van profeten in het oude Israël was openbaar, en had ook betrekking op de toekomst van het gehele volk Israël.

Ook schonk God het volk Israël profeten die het volk bijstonden om Gods woord te verstaan. Ook zij traden in het openbaar op, en legden uit wat Gods liefde voor het volk Israël onder de actuele omstandigheden betekende.

Steeds duidelijker openbaarde God zich in de heilsgeschiedenis van Israël als de God die een voorkeursliefde voor armen, onrechte en uitgesloten mensen heeft. Hij komt voor hen, bevrijdt hen uit slavernij en knechting, en schenkt Israël toekomst. 

Ook de openbaring van Liefde als Gods diepste  wezen, in Jezus Christus, was openbaar: iedereen kon Christus zien en horen. Zijn boodschap behelsde niet de vrede zoals de wereld die schenkt, maar het koninkrijk van God dat niet van deze wereld is. Jezus ‘ liefdesboodschap was ‘anders’, niet van hier, maar wel bedoeld voor ons: omdat het anders kan zijn, en zal zijn dan nu.

Jezus verkondigde dat God liefde is. In zijn praktijk van gebed, verkondiging, genezing, vergeving, heling en verzoening, liet hij zien hoe groots en ruimhartig Gods liefde is. Hij belichaamde die liefde zelf. In Hem is God immers mens geworden. .

Jezus schonk ons twee geboden: God lief te hebben en onze naaste. Hij verbond de liefde tot God en die tot de naaste met elkaar en typeerde ze als gelijkwaardig.

Dit geeft aan hoe belangrijk liefde tot de naaste in het katholieke geloof is: zij is gefundeerd in liefde van God zelf voor het volk Israël en voor alle andere mensen. Zij is universeel gericht: bedoeld voor en gericht op alle mensen. De liefde die mensen elkaar toedragen is daarom gebaseerd de laatste en diepste waarheid van het geloof, dat God zelf liefde is.

Gods liefde richt zich bij voorkeur op hen die deze het hardste nodig hebben, de zwakkere medemens.

Liefde, in deze zin verstaan, omvat ook gerechtigheid, als deugd, en als waarde. Zonder gerechtigheid is de liefde niet volledig. Gerechtigheid schraagt de liefde, en versterkt haar geloofwaardigheid, maar de liefde op haar beurt draagt de gerechtigheid en overstijgt deze. Liefde is meer dan gerechtigheid – niet minder. Ze inspireert tot gerechtigheid, en ze oriënteert de gerechtigheid op de zwakken en kwetsbaren. Ze maakt het deugdzame leven lichter.  En liefde vult in barmhartigheid aan waarin gerechtigheid op haar grenzen stuit.

 In het christendom wordt de liefde die God ons schenkt, beantwoord met de navolging van Christus, met pogingen het gebod van de naastenliefde in praktijk te brengen. Hieruit hebben zich zeer veel sociale en maatschappelijke praktijken in het teken van gerechtigheid en liefde ontwikkeld, die in feite een liefde volle diaconie aan medemensen zijn: onderwijs, zorg, de inzet voor menswaardige en menslievende arbeid en voor arbeidsverhoudingen die op gerechtigheid en liefde gebaseerd zijn. Christenen hebben zich er steeds voor ingezet om ook het publieke bestuur zo te laten functioneren dat het de liefde van God, en de liefde tot God en de naaste, niet in de weg staat. Het openbaar bestuur heeft bovendien als uit gerechtigheid en liefde voortvloeiende opdracht om een schild voor de zwakken te zijn.

De Liefde tot de naaste is daarom ook voor de katholieke sociale leer heel wezenlijk, samen met de hoop en het geloof. De katholieke sociale leer m is ten diepste de  uitwerking van de naastenliefde in haar uitwerking op de samenleving en de overheid voor de huidige tijd. De sociale leer sluit daarom aan bij de liefde, en bij de hoop op verandering van de samenleving ten goede, in het Godsvertrouwen dat God de mensheid naar haar voltooiing leidt.

Jezus had ten diepste geen zuiver politieke boodschap. Maar de boodschap dat het Rijk van Gods liefde is aangebroken, had en heeft zoveel invloed in elk samenleving, dat overheden hierop gereageerd hebben en reageren. Jezus’ betrokkenheid op de allerarmsten , zieken en andere kwetsbare mensen is steeds een doorn in het oog geweest voor religieuze en politieke leiders. Ze heeft bijgedragen aan zijn kruisdood. In die zin is de boodschap van Jezus, door het centraal stellen van de liefde tot God en de naaste, politiek relevant geworden. Ze is dat te meer waar mensen, geïnspireerd door het evangelie, ideeën over de inrichting en het functioneren van de samenleving ontwikkelen die als zout der aarde en licht der wereld in de praktijk pogen te brengen.  

Gods liefde voor ons is, bijgevolg,  betekenisvol in onze persoonlijke levenssfeer, maar ook voor ons zijn en handelen in de samenleving, en voor de overheid. De liefde fundeert, omvat en overstijgt de gerechtigheid. Dat zien we ook terug in de encycliek Frarelli Tutti waarin paus Fanciscus zelfs spreekt van politieke liefde.

De Kerk verwerkelijkt haat opdracht tot liefhebben ook door de haar vertrouwde waarheid te verkondigen. Liefde en waarheid versterken elkaar: mensen helpen zoeken naar en vinden van waarheid is een daad van liefde. Daarmee draagt de Kerk bij aan het overwinnen van een cultuur van nihilisme en relativisme.



1.2.3 Wat zijn de belangrijkste deugden in de SLK?

De Sociale Leer van de Kerk hangt niet alleen aan principes en waarden, maar ook, en vooral,  aan deugden, dat wil zeggen: aan morele goede gewoontes. Menselijke handelingen worden in een deugdethiek  niet op de eerste plaats vanuit hun doelen en gevolgen bekeken, noch vanuit rechten en plichten, maar als voortkomend uit een morele attitude die zich uitdrukt in goed handelen ook als niemand toezicht houdt, en in goede gewoontes, anders gezegd: in de persoon met een gevormd karakter en in de cultuur die we op basis van goede karakters scheppen.

 Van alle morele deugden zijn er volgens de SLK  vier het belangrijkste: allereerste de prudentie oftewel ons anticiperend vermogen:  het vermogen om al handelend situaties in te schatten, doel en middelen te kiezen en zich niet door onzekerheid te laten verlammen; deze cognitieve deugd heeft in de katholieke traditie morele betekenis en is  erg belangrijk bij de besturing van overheid en samenleving. Dan ten tweede de gerechtigheid, ons recht doen aan de ander. Gerechtigheid als bestuurlijke deugd  staat zowel tegenover egoïsme als tegenover  verwaarlozing van legitiem eigen belang.  Ten derde is er de deugd van de moed, die zich zowel onderscheidt van zowel roekeloosheid als van angst en vrees. Ook deze deugd is belangrijk in de besturing. Risicoloos leven en risicoloos ondernemen is niet goed; maar risico’s negeren evenmin.  Ten vierde is er de  deugd van matigheid, het zoeken van het gulden midden; heel simpel: bij de keuze tussen de extremen van geheelonthouding en alcoholisme staat de matige mens zich bijvoorbeeld af en toe een glaasje toe.

Aan deze vier essentiële oftewel ‘kardinale’ deugden- prudentie, gerechtigheid, matigheid, moed en matigheid – ,  hangt volgens de SLK elke goede besturing van elke organisatie en elk bedrijf.  

Ontvankelijkheid voor transcendentie

De SLK voegt hier nog iets wezenlijks aan toe, en dat is dat deze vier essentiële actieve deugden uiteindelijk gericht zijn op ontvankelijkheid voor transcendentie: in hoop, liefde en Godsvertrouwen. Anders gezegd: ons handelen heeft niet de doelen in zichzelf, het gaat er om dat de samenleving open staat voor Gods transcendentie, maar ook voor de transcendentie in ieder mens, die tot uitdrukking komt in de inherente menselijke waardigheid. Dat geeft niet alleen over aandacht voor religie en spiritualiteit, maar ook over de verhouding van arbeid -en rusttijden, winkelopeningstijden enzovoorts: iedere samenleving heeft een ritme van actie en contemplatie nodig. Een samenleving zonder contemplatie is slecht af, en dat zien we daarom ook  terug in de SLK.

Niveaus van ethiek

We kunnen de SLK nog op een andere wijze typeren. In de christelijke ethiek, ook in de SLK, kan men kortweg  drie typen ethiek onderscheiden, die elkaar aanvullen. Het eerste niveau is dat van een doelethiek, waarbij het menselijk handelen wordt beoordeeld op basis van beoogde effecten en op basis van de kwaliteit van middelen en bijeffecten. Op dit niveau speelt zich het denken over proportionaliteit vaak af, omdat het hier ook om calculaties van effecten gaat.

 Het tweede niveau is dat van de plichtethiek, waarin mensen over rechten en plichten nadenken. Plichtethiek is vaak absolutistisch:  een plicht wordt als absoluut voorgesteld. Conflicten tussen plichten worden gehanteerd door plichten en rechten in balans te brengen, door rechten en plichten te vergelijken met rechten en plichten van anderen dus in balans te brengen’, en door het formuleren van een overkoepelende plicht, namelijk het  dienen van het algemeen welzijn.

In de SLK gaat de Kerk ervan uit dat een cultuur en samenleving weliswaar niet zonder rechten en plichten kunnen – zoals bijvoorbeeld de rechtsstaat die  door de SLK wordt gesteund – , maar dat het denken in rechten en plichten niet voldoende is om tot goed samenleven te komen. Enerzijds kan het als absoluut zien van rechten tot een claimcultuur leiden, waarin het geheel, het bonum commune, uit het oog verloren wordt. Het absoluut nemen van plichten kan anderzijds maatschappelijk gezien ook leiden tot het forceren van maatschappelijke verhoudingen en in het hoogste onrecht verkeren: summum ius summa iniuria. Absolutistische ethiek kan bovendien – zeker in onze samenleving – ook in individualisme ontsporen: ‘hier sta ik,  ik kan niet anders’ – moge de gerechtigheid geschieden, zelfs als de wereld daardoor ten onder gaat.

Dit is de reden waarom de SLK nog het  reeds genoemde derde -niveau van ethiek kent waarop beslist wordt of een samenleving zich baseert op verlicht eigenbelang, of zich vastbijt in legalisme, of dat ze genereus wordt. Het derde niveau is dat van de morele deugd: dat wil zeggen die van het goede karakter en van goede gewoontes.

Op dit niveau kan men ook stellen: een goede samenleving heeft weinig wetgeving – rechten en plichten – nodig , als personen deugdzaam leven en een navenante cultuur weten te scheppen. Deugdzaam leven leidt, mits op grote schaal, tot ontlasting van wetgevingsprocessen en tot minimalisering van naleving en handhaving van maatregelen, wetten. Wie op een snelweg rijdt, kan zich aan de maximumsnelheid houden omdat hij daarmee bijdraagt aan een beter klimaat (dat is doelethisch verantwoord), of omdat de wat het voorschrijft en men niet van boetes houdt (het niveau van rechten en plichten), of omdat het verkeer soepeler loopt en het voor iedereen beter is – meer inzichtelijk, beheersbaarder, veiliger) als je dit doet en het daarom altijd doet, uit goede gewoonte. De drie vormen van ethiek strijden niet helemaal met elkaar, maar je kunt de deugdethiek toch als hoger beschouwen, omdat die meer op het bonum commune gerichte is, recht doet aan het karakter en  bovendien het handelen niet ziet als reeks losse acties, maar als ingebed in cultuur.

Als we goed kijken naar de plaats van de deugdethiek in het goede samenleven, dan zien we dat het in de SLK te doen is om wat ik zou willen noemen een genereuze samenleving: een samenleving waarin mensen graag geven – waar dus een hoge geefbereidheid, zorgbereidheid en bereidheid tot verantwoordelijkheid voor anderen bestaat – , en waarin dus calculaties van doelen, middelen en effecten  , – laat staan egoïstische calculaties – niet de overhand hebben, en waarin ook het recht niet verhardt zoals bijvooreeld in het huidige strafrecht en vreemdelingenrecht in Nederland, omdat er generositeit is, en ook een cultuur is van deelbereidheid, barmhartigheid, verzoening en vergeving, de vier basiskenmerken van een genereuze samenleving. Overigens zien we op dit gebied in Nederland een paradox: naarmate de welvaart toeneemt, neemt de geefbereidheid af- de angst om te verliezen wat men heeft en de onveiligheid winnen het in toenemende mate van de generositeit. Maar dit terzijde.

In een voluit christelijke sociale  ethiek is er, zoals we zagen,  nog een vierde niveau, dat van de ontvankelijkheid of receptiviteit. In het christelijk geloof worden de actieve deugden zoals gerechtigheid, uiteindelijk beschouwd als iets waaraan je niet alleen moet maar mag bijdragen. Het leven, de ander, onze verantwoordelijkheid voor de ander zijn ons geschonken. Het besef dat liefde, hoop en vertrouwen op God uiteindelijk geschenken zijn van God, stemt dankbaar. Dankbaar leven is dus een kenmerk van de receptiviteit dat het strikt actieve deugdzame leven omvat en overstijgt.



2. De SLK  over met name zorg, arbeid,  en openbaar bestuur

Welke terreinen van de katholieke sociale leer zijn het meest uitgewerkt?

Dat zijn: de maatschappelijke betekenis van het gezin; de menselijke arbeid; het economische leven; de zorg;  de politieke gemeenschap (overheid en staat); de internationale gemeenschap; de bescherming van het milieu, en het bevorderen van de vrede.

Wiens opdracht is het werken met de katholieke sociale leer?

Dat is de taak van iedere katholiek, iedere ambtsdrager, maar vooral ook van alle lekengelovigen. Daarnaast kan ze ook van nut zijn voor christenen van andere denominaties, vertegenwoordigers van andere religies,  en voor alle mensen van goede wil, die wegen zoeken naar goed samenleven.

Wat is de centrale betekenis van de katholieke sociale leer voor de zorg?

De katholieke sociale leer fundeert de waardigheid van ieder mens, van mensen die zorg nodig hebben en van mensen die zorg bieden of mogelijk maken.

Zorg is een groot goed. Ze is in katholiek perspectief in diepste wezen een vormgeving van diaconie en  caritas.

Daarom is ook van belang voor de patiënten en de samenleving als geheel dat ook voor de zorgverleners – mantelzorgers, vrijwilligers en professionals – goed gezorgd wordt, da er recht wordt gedaan aan hun persoonlijke waardigheid en aan hun oorspronkelijke morele betrokkenheid op patiënten.

Het beginsel van universele bestemming van goederen betekent in de zorg onder meer, dat medische technologie, technieken en behandelmethoden zo veel mogelijk beschikbaar moeten worden gesteld aan mensen die ze nodig hebben. Daarbij moeten medische criteria prevaleren boven sociale status, maatschappelijke positie  of inkomen. Voor God zijn alle mensen gelijkwaardig, en Hij wil mensen geven wat ze nodig hebben.  Dit kan actieve sturing van de overheid vereisen.

Bij de organisatie en besturing van de zorg is het subsidiariteitsbeginsel belangrijk. De zorg is immers grotendeels ontstaan als uit een sociale beweging, van mensen die zich om problemen in de samenleving bekommeren en daarvoor willen inzetten. In de zorgsector is veel van de oorspronkelijke inspiratie,  motivatie tot zorg en de oorspronkelijke morele betrokkenheid behouden gebleven.

Het is belangrijk dat deze inspiratie, motivatie en  betrokkenheid ondanks bestuurlijke schaalvergroting en de invoering van marktwerking in de zorg behouden blijft en verder ontwikkeld worden; ze moeten ook behoed worden door bestuurders en beroepsgroepen in de zorg. Er moet bijvoorbeeld ook in de toekomst recht aan worden gedaan dat zorg in de uitvoering vaak kleinschalig is, hetgeen veel mogelijkheden tot morele betrokkenheid biedt.

Verantwoordelijkheden kunnen en moeten op een zo laag mogelijk niveau in de organisatie, in zorginstellingen,  gedragen worden, maar het naast hogere bestuurlijk niveau kan, mag en moet bijspringen als de verantwoordelijkheden de mogelijkheden van het lagere niveau tekort blijken te schieten

De katholieke sociale leer fundeert voorts  het belang van participatie van patiënten in de samenleving. Zorg moet dus zo veel mogelijk participatie mogelijk maken. Voor patiënten voor wie actieve participatie niet meer  mogelijk is, kan participatie toch nog iets betekenen, in zoverre ze niet van de zorggemeenschap worden uitgesloten wanneer mantelzorgers, vrijwilligers en personeel hen toch liefdevol blijven omringen.  Er ligt in deze invulling van participatie ook een kans m generaties met elkaar in contact te brengen, en aan elkaars leefwereld te laten deelnemen.

De sociale leer benadrukt ook het beginsel  van de solidariteit. In de sfeer van ziekte en gezondheid  betekent dit dat van gezonde mensen solidariteit met zieken mag worden verwacht. De individualisering  in de Nederlandse samenleving, betekent een risico voor de solidariteit, bijvoorbeeld voor collectieve voorzieningen en verzekeringen. Het is belangrijk dat gerichte inspanningen worden geleverd om deze solidariteit gestalte te blijven geven.

Solidariteit is niet alleen voor patiënten van belang, ze geldt ook voor beroepsgroepen en bestuurders in de zorg. In diepste wezen staan zorginstellingen voor een zorggemeenschap waarin mensen over hun oorspronkelijke positie en rol heen, solidair met elkaar kunnen zijn. Noch patiënten, noch mantelzorgers, vrijwilligers, medische professionals of bestuurders zijn pure individuen. Ze zijn, vanuit het katholieke mensbeeld,  veeleer personen die met de waarachtige intentie tot zorg en oprechte betrokkenheid op elkaar met elkaar omgaan.

Zorgen is ook arbeiden, en het is belangrijk te stellen dat bewogenheid, morele motivatie  en betrokkenheid niet uitgespeeld mogen worden tegen professionaliteit, deskundigheid en een navenante bezoldiging.

Ook hecht de SLK  veel waarde aan de plaats voor de waarden waarheid, vrijheid en gerechtigheid in de zorg.

Waarheid is op zeer verschillende niveaus belangrijk. Het is belangrijk dat er een zorgklimaat en zorgbeleid zijn in  instellingen die de menselijke openheid voor God en de door hem geschonken bestemming niet belemmeren, en de sociale natuur van de mens volstrekt serieus nemen.

Op medisch-maatschappelijk niveau zijn  het recht op informatie van patiënten en de informed consent een groot goed. Ze drukken een besef van verantwoordelijke de vrijheid van de patiënt uit. In de sfeer van de medische beroepen wordt de vrijheid van de professionals uiteraard genormeerd door de oriëntatie op dienstverlening, door ethiek van de instelling,  en door beroepsethiek. 

Vrijheid is evenzeer belangrijk. In theorie komt aan patiënten een grote mate van autonomie voor. Of die vrijheid ook wordt beleefd hangt onder meer af van de wijzen waarop bestuurders en zorgprofessionals hun verantwoordelijkheid dragen.

In katholiek perspectief is de morele vrijheid van handelen rond het levensbegin en levenseinde niet absoluut. Ook hier staat het respect voor de waardigheid van de persoon – het ongeboren kind en de terminaal zieke of stervende patiënt – voorop.  De beleving van de waardigheid is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van belangeloze en barmhartige zorg.

Gerechtigheid is ook voor de zorg een belangrijke waarde. Patiënten mogen niet in hun rechten aangetast worden. Maar ook voor vrijwilligers, mantelzorgers en professionals is het van belang dat hun rechten goed geregeld zijn. Goed functionerend recht in de gezondheidszorg biedt belangrijke zekerheid voor alle betrokkenen. Natuurlijk is gerechtigheid ook aan de orde bij een beleid dat discriminatie van mensen in de instelling wil voorkomen.

 Gerechtigheid mag ook in de zorg niet tegen barmhartigheid uitgespeeld worden. Beide zijn belangrijk; ze vullen elkaar aan.



3. Paus Franciscus over de coronacrisis

3.1 Wat is een sociale  encycliek?

Een encycliek is een belangrijke pauselijke brief, waarin de paus zijn leergezag inzake geloof en zeden uitoefent.

Rondzendbrief
Het woord encycliek is afgeleid van het Latijnse encyclica en het Griekse enkuklios, dat ‘rondgaand’ betekent (kuklios is ‘kring’). Net als de apostelen communiceerden de bisschoppen in de oudheid met hun kerken of collega-bisschoppen door middel van litterae enclycicae, ‘rondzendbrieven’. Deze brieven waren van doctrinaire of pastorale aard.

Brief van paus
In 1477 schreef paus Sixtus IV de rondzendbrief Romani Pontificis provida. Dit document, dat over aflaten ging, werd een encycliek genoemd, maar had niet dezelfde betekenis die het nu heeft. Het was een brief die Sixtus naar eigen zeggen motu proprio, ‘uit eigener beweging’, had geschreven. Later werd motu-proprio de aanduiding voor een minder gezaghebbende pauselijke brief

(….)

Vanaf de 18e eeuw is een encycliek een gewichtige rondzendbrief die een paus aan alle bisschoppen van de wereld of aan een grote groep bisschoppen schrijft. De eerste ‘moderne’ encycliek was Ubi primum uit 1740 van Benedictus XIV en gaat over het bisschopsambt. Encyclieken verschijnen vanaf de 19e eeuw met grote regelmaat. Sommige pausen schreven zelfs meerdere encyclieken per jaar. Zo schreef Pius XII er in 1954 maar liefst vier. In totaal schreef deze paus gedurende een pontificaat van bijna 20 jaar, 41 encyclieken. Ter vergelijking: Johannes Paulus II schreef er in de 26 jaar dat hij paus was, ‘slechts’ 14.

3.2. Paus Franciscus publiceerde recentelijk, op 3 oktober 2020,  zijn sociale encycliek Fratelli Tutti. Hierin is ook een tekst  over de pandemie opgenomen.

Ik citeer bij gebrek aan geautoriseerde Nederlandse versie de Engelse:  

PANDEMICS AND OTHER CALAMITIES IN HISTORY

32. True, a worldwide tragedy like the Covid-19 pandemic momentarily revived the sense that we are a global community, all in the same boat, where one person’s problems are the problems of all. Once more we realized that no one is saved alone; we can only be saved together. As I said in those days, “the storm has exposed our vulnerability and uncovered those false and superfluous certainties around which we constructed our daily schedules, our projects, our habits and priorities… Amid this storm, the façade of those stereotypes with which we camouflaged our egos, always worrying about appearances, has fallen away, revealing once more the ineluctable and blessed awareness that we are part of one another, that we are brothers and sisters of one another”.[31]

33. The world was relentlessly moving towards an economy that, thanks to technological progress, sought to reduce “human costs”; there were those who would have had us believe that freedom of the market was sufficient to keep everything secure. Yet the brutal and unforeseen blow of this uncontrolled pandemic forced us to recover our concern for human beings, for everyone, rather than for the benefit of a few. Today we can recognize that “we fed ourselves on dreams of splendour and grandeur, and ended up consuming distraction, insularity and solitude. We gorged ourselves on networking, and lost the taste of fraternity. We looked for quick and safe results, only to find ourselves overwhelmed by impatience and anxiety. Prisoners of a virtual reality, we lost the taste and flavour of the truly real”.[32] The pain, uncertainty and fear, and the realization of our own limitations, brought on by the pandemic have only made it all the more urgent that we rethink our styles of life, our relationships, the organization of our societies and, above all, the meaning of our existence.

34. If everything is connected, it is hard to imagine that this global disaster is unrelated to our way of approaching reality, our claim to be absolute masters of our own lives and of all that exists. I do not want to speak of divine retribution, nor would it be sufficient to say that the harm we do to nature is itself the punishment for our offences. The world is itself crying out in rebellion. We are reminded of the well-known verse of the poet Virgil that evokes the “tears of things”, the misfortunes of life and history.[33]

35. All too quickly, however, we forget the lessons of history, “the teacher of life”.[34] Once this health crisis passes, our worst response would be to plunge even more deeply into feverish consumerism and new forms of egotistic self-preservation. God willing, after all this, we will think no longer in terms of “them” and “those”, but only “us”. If only this may prove not to be just another tragedy of history from which we learned nothing. If only we might keep in mind all those elderly persons who died for lack of respirators, partly as a result of the dismantling, year after year, of healthcare systems. If only this immense sorrow may not prove useless, but enable us to take a step forward towards a new style of life. If only we might rediscover once for all that we need one another, and that in this way our human family can experience a rebirth, with all its faces, all its hands and all its voices, beyond the walls that we have erected.

36. Unless we recover the shared passion to create a community of belonging and solidarity worthy of our time, our energy and our resources, the global illusion that misled us will collapse and leave many in the grip of anguish and emptiness. Nor should we naively refuse to recognize that “obsession with a consumerist lifestyle, above all when few people are capable of maintaining it, can only lead to violence and mutual destruction”.[35] The notion of “every man for himself” will rapidly degenerate into a free-for-all that would prove worse than any pandemic.”

3.3. Opmerkingen bij het Health Care Charter van 2017

Ik citeer uit de presentatie van het Health Care Charter door  Bonifacio Honings OCD:  

  • This is why profession, vocation and mission meet each other in the figure of each and every health care worker, “
 “none of the complicated and intricate problems and questions raised by the inseparable existing relationship between medicine and morality can, at the present time, be considered a sort of neutral ground in relation to Hippocratic ethics and Christian morality. For this reason, the Charter for Health Care Workers has given rigorous respect to the need to offer an organic and complete synthesis by the Church, beginning with Pius XII, on all matters concerning the upholding, in the field of health policy and care, of the primary and fundamental value of the life of each and every human being from the moment of conception to natural death. [38]”



4. Toepassingen in de Nederlandse situatie

Ik kom dan uit bij een verkennende belichting van de coronacrisis vanuit de SLK.

De coronacrisis  roept op allerlei niveaus vragen op, ook voor wie geen complotdenker is. Zo is het een crisis die qua omvang alleen mogelijk is geworden als neveneffect van de globalisering. Hoe zou een uitbraak in China anders kunnen leiden tot een lockdown in Nederland? Onze respons op de crisis is echter veel minder globaal: die is eerder nationaal, en een klein beetje Europees. Die respons wordt in de hand gewerkt door het verlies aan geloofwaardigheid van de Wereld Gezondheidsorganisatie WHO, waardoor landen op zichzelf zijn teruggeworpen. De Europese Unie, vervolgens, is meer ingesteld economische en financiële samenwerking dan op coördinatie van systemen voor gezondheidszorg. De gevolgen bleven niet uit. Zweden deed bij de eerste uitbraak in Europa in eerste instantie helemaal niets vanuit de overheid, en vertrouwde dus, positief gesteld, op de eigen verantwoordelijkheid van de burgers. In Nederland reageerde premier Rutte bij die eerste uitbraak in eerste instantie lacherig op het virus en koos vervolgens als strategie voor een continu beroep op de  individuele verantwoordelijkheid van de Nederlanders. De Franse president Macron daarentegen verklaarde het virus meteen de oorlog. De Duitse bondskanselier Merkel  liet op haar een soort tussenweg zien: zij communiceerde over de ernst van de situatie, verwees continu naar de gevolgen van corona in de persoonlijke levenssfeer., en schroomde niet de Duitse deelstaten tot ingrijpende maatregelen te stimuleren. Internationaal blijken er dus grote verschillen te bestaan in de politieke respons op de coronacrisis.

4.1 Vormen van proportionaliteit

In Nederland zien we, in mijn waarneming, verschillende fases in de respons op de coronacrisis. Nadat de ernst van de situatie was doorgedrongen stond  in de eerste fase de urgentie van de bestrijding van het virus centraal. Door de aanvankelijk slechte communicatie van de overheid werd pas vrij laat duidelijk gemaakt dat de bestrijding van het coronavirus de reguliere gezondheidszorg ernstig onder druk zet. Daarmee ontstond vrijwel direct een ethische kwestie, namelijk die van de proportionaliteit van de Covid-zorg.  Later kwamen daar vragen bij rond de proportionaliteit van Covidbeleid ten opzichte van de sociale economie, en vragen rond de proportionaliteit van de maatregelen voor specifieke groepen in de samenleving; leeftijdsgroepen zoals kwetsbare ouderen of juist puberende en studerende jongeren, maar ook sectoren als de horeca. Steeds is er de echo van de vraag naar proportionaliteit. Al deze  vormen van proportionaliteitsproblematiek raken aan. Die proportionaliteitsvragen zijn tezamen een van de gestalten van de vraag naar gerechtigheid.

4.2 Over rechten en plichten in tijden van corona

In tijden van corona zien we de overheid zoeken naar legitimiteit op dubbele wijze: naar democratische legitimiteit – steun van de Tweede Kamer voor maatregelen- en naar een wettelijke basis voorbij de politieverordeningen. Tegelijk zien we dat de overheid hiermee de burger niet voldoende overtuigt en motiveert. Het is een kenmerkend probleem van de legalistische benadering van implementatie van overheidsbeleid: men schrijft de wet voor maar overtuigt niet. In Nederland wordt de overtuigingskracht van het legalisme nog verzwakt doordat Nederlanders – bijvoorbeeld in het verkeer – wetten en voorschriften eerder als adviezen zien die ze op grond van hun vrijheid in onze grofmazige cultuur naast zich neer kunnen leggen. De adviserende toon van de overheid lijkt wel bij de grofmazige cultuur aan te sluiten, maar haar communicatie is in feite vlees noch vis: geen wetgeving met handhaafbare maatregelen en geen op expertise gebaseerde morele motivatie; die laatste kan zij immers niet geven omdat ze geen zedenmeester is.

Wie overtuigen en motiveren er wel? Dat zijn medische experts en influencers. Kerken kunnen deze rol ook vervullen, mits zij niet focussen op eigen privileges krachtens het grondrecht vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

4.3 Deugd van de barmhartigheid als basis voor gerechtigheid

Volgens de katholieke sociale leer komt gerechtigheid  voort uit barmhartigheid.” Barmhartig  is iemand die een barmhartig hart heeft, omdat hij bij het zien van anderen gegrepen wordt door droefheid alsof het om zijn eigen ellende gaat”. Dit zijn woorden van Thomas van Aquino (1224-1274) , een van de filosofische en theologische bronnen van de sociale leer. Thomas stelde ook dat bij God barmhartigheid voorafgaat aan gerechtigheid. Hij zegt zelfs – in een commentaar op de brief van Paulus aan de Efeziërs, dat barmhartigheid in God hoger is dan liefde en hier de wortel van is. Met andere woorden: in den beginnen is er bewogenheid en zorgzame betrokkenheid.

Wie een samenleving hierop inricht, als respons op goddelijke barmhartigheid, komt uit bij een samenleving waarin ook als het menselijke gerechtigheid gaat courante schema’s worden doorbroken.  Het gaat niet langer primair om de consequenties van ons handelen, om noodzaak, nut en proportionaliteit. Maar het gaat ook niet meer primair om onze rechten en plichten- het juridische niveau van gerechtigheid wordt ontstegen ten gunste van een basishouding van barmhartigheid en dus van genereuze betrokkenheid. Wie zo kijkt naar de gerechtigheid, beschouwt barmhartigheid dus niet langer als uitzondering op gerechtigheid, maar juist als de basis ervan. Barmhartigheid en gerechtigheid zijn in de sociale leer niet tegen elkaar uit te spelen.

Laten we ter illustratie eens kijken we op basis hiervan over  gerechtigheid kunnen zeggen. – die in de sociale leer zowel deugd als waarde is – . Hierbij  valt mij het volgende op.

Gerechtigheid als deugd: Vier vormen van gerechtigheid

Allereerst wat betreft gerechtigheid als deugd

De Sociale leer onderscheidt  met betrekking tot vier basisvormen van gerechtigheid: de onderlinge gerechtigheid tussen mensen (iustitia commutativa), de verdelende gerechtigheid (iustitia distributiva), de gerechtigheid op juridisch niveau (iustitia legalis), en ten vierde, sinds paus Paulus VI, de proactieve sociale gerechtigheid met het oog op de allerarmsten (iustitia socialis). Hoe staat het met deze vier vormen van gerechtigheid in tijden van corona?

Onderlinge gerechtigheid: iustitia commutativa  

In de Nederlandse samenleving valt op dat de iustitia commutiva – het feit dat we elkaar onderling rechtvaardig moeten behandelen- niet of nauwelijks naar voren komt in de coronacrisis. Dat zou namelijk vereisen dat inwoners van Nederland vooral met elkaar, onderling dus, in dialoog en debat gaan over wat zij als burgers onder elkaar rechtvaardig vinden in elkaars en het eigen handelen. Vaak wordt deze vorm van gerechtigheid uitsluitend op ethiek in economische en financiële transacties betrokken – bijvoorbeeld om de ingtegriteit van transacties te vereisen; dat is terecht maar niet exclusief. De onderlinge gerechtigheid omvat in beginsel alle maatschappelijke betrekkingen, ook de zorgzame omgang met elkaar.

Juist  het met elkaar spreken over de gerechtigheid in onderlinge betrekkingen gebeurt,  vanuit de sociale leer gezien, niet voldoende in onze hyperindividuele samenleving. Mensen kijken wel uit elkaar aan te spreken in normatieve zin. We leven immers in een grofmazige cultuur waarin we wel over waarden en normen in het algemeen spreken maar de invulling ervan aan het individu overlaten. Wat we in deze coronacrisis zien zijn boze demonstranten die deze grofmazige vrijheid opeisen en geen dialoog zoeken –  en daarnaast zien we vooral veel afzijdig afwachtende burgers, die die zich als klanten van onze overheid opstellen.  Maar  zowel in het niet-communicatieve proest als in die afzijdigheid laten burgers in Nederland  juist veel ruimte open die precies in de samenleving thuishoort en niet bij de overheid. Want de overheid is in de Nederlandse juridische traditie nu net geen zedenmeester.

Wettelijke gerechtigheid; iustitia legalis

 De meeste Nederlanders kijken naar de overheid voor coronabeleid- en stuiten vervolgens op de beperkingen van het tweede aspect van gerechtigheid,   de wettelijke gerechtigheid ,  iustitia legalis. In Nederland heeft het coronabeleid  onvoldoende  wettelijke basis, en dat geldt ook voor  de sancties. Aan sancties ontbreekt de legitimiteit, ook al omdat de toepassing ervan niet in het hele land gelijk is – wat ook de wet schendt. De overheid heeft van haar kant bovendien onvoldoende instrumenten om mensen intrinsiek te motiveren. Het is juist een kenmerk van de open samenleving Wat we zien is een overheid die contre coeur moraal preekt; iets waarvoor ze slecht geëquipeerd is, en ook klaarblijkelijk niet effectief.

Het grondrecht ‘vrijheid van godsdienst en levensovertuiging’ in tijden van corona

Voor het Nederlandse beleid richting religie is een stevige juridische basis, namelijk in artikel 6 Grondwet dat vrijheid van godsdienst en levensovertuiging erkent als grondrecht. Dat houdt niet alleen vrijheid van belijden in – dus vrijheid van geloofsinhoud- maar ook vrijheid van inrichting. Kerken besturen, kortweg zichzelf. Daarom zie je kerken juist wel moreel beraadslagen over maatregelen. De maatregelen die men doorvoert zijn de vrucht van zelfbeperking. Ze passen in de drie principes die  de sociale leer van de kerk voorschrijft in het gebruik van grondrechten: a) onze rechten en onze plichten moeten met elkaar in balans zijn; b) onze rechten en plichten moeten in balans zijn ten opzichte van andere individuen en gemeenschappen met grondrechten; en c) alle rechten en plichten moeten worden uitgeoefend met het oog op het bonum commune, het algemeen welzijn. Toepassing van deze drie basisregels in het gebruik van mensenrechten die onderdeel zijn van de sociale leer van de kerk leidt tot compliance van de mainstream kerken. Dat kan prudent zijn in zoverre religies niet in beeld willen lopen als uitzondering. Maar het roept wel de vraag op hoe de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in positieve en cratieve zin dan wel benut wordt.

Verdelende gerechtigheid: iustitia distributiva  

De kwestie van de distributieve gerechtigheid brengt ons dicht bij de sociaal-medische dilemma’s. De gezondheidszorg leeft van een andere deugd  dan gerechtigheid – en volgens de katholieke sociale leer  in zekere zin een hogere, namelijk barmhartigheid. Daarin staat de zorgzame respons op de noodlijdende mens centraal, precies zoals paus Franciscus deze schetst in zijn encycliek Fratelli Tutti. Daarin gaat hij namelijk uitvoerig in op Jezus’ parabel van de barmhartige Samaritaan die hij ziet als voorbeeldig voor de door hem bepleite universele broeder-en zusterschap. Paus Franciscus bepleit de vergeten waarde van de Franse Revolutie, de broederschap- postmodern gezegd: de verbinding.  

4.4 Prudentie en volksgezondheid

Mij grote vraag in deze coronacrisis is: hoe staat het in Nederland met de rol van de prudentie ons maatschappelijk en politiek bestel?

Allereerst;  wie appelleert er aan de prudentie van de burger? Waarom wacht de burger met aanpassing aan de medische realiteit op een wet van de overheid? We kunnen toch zelf verantwoordelijkheid nemen? In plaats daarvan zien we een individualistisch en onjuist beroep op het geweten van de burger, om zich terig te trekken uit maatschappelijke verantwoordelijkheid en  participatie aan de oplossing van de coronaproblematiek als sociaal vraagstuk.

Maar prudentie is meer terreinen aan de orde. De triageproblematiek die in ziekehuizen lijkt te ontstaan is lijkt mij een kwestie die alleen kon op komen door een meerjarig gebrekkig nationaal preventiebeleid en beperkingen in de rampenplannen die bij de start van de crisis golden. Dit is vanuit de SLK gezien een symptoom van gebrekkige prudentie, dus van onvoldoende anticipatie op een dergelijke crisis in de volksgezondheid. Ik kan de details hiervan niet beoordelen, maar dit lijkt mij een thema voor een parlementair onderzoek zoals de Tweede Kamer die wel vaker uitvoert over kwesties die voor de samenleving van vitaal belang zijn.

Daarbij komt dat in de gezondheidszorg in Nederland de ook door de sociale leer bekritiseerde doorgeschoten marktwerking en het hieruit volgende bedrijfsmatig functioneren van zorginstellingen, de publieke kant van de gezondheidszorg – die van de volksgezondheid- naar achter hadden  geschoven. Het gevolg is dat we de verantwoordelijke ministers van volksgezondheid resp. Covid ministers voortdurend achter de feiten aan zien lopen – huns ondanks overigens. Ik vermeld dit hier niet als politiek praatje, maar om opnieuw het belang te onderstrepen dat crisisbeleid uit het oogpunt van prudentie iets anders  is dan achter de feiten aanlopen.

Dit is ook van toepassing op de gebrekkige waardering van verpleegkundigen en verzorgenden, en het niet bewaken van werklast van artsen: allemaal symptomen dat in de Nederlandse cultuur rond volksgezondheid bewogenheid, betrokkenheid en roeping wel professionaliteit, deskundigheid, vereisen, maar niet op grond van anticiperend vermogen afdoende gehonoreerd worden, en dit terwijl Bijbels gezegd de arbeider zijn loon waard is- ook   in de zorg.


Omarm de laatste levensfase zoals Johannes Paulus II dat deed

Katholiek Nieuwsblad, 15 mei 2020
door Ingeborg C. M. Kleemans, specialist ouderengeneeskunde.

Paus Johannes Paulus II imponeerde niet alleen door zijn leven, maar ook door zijn sterven. Hij toonde hoe de mens ook in zijn broosheid waardevol blijft. Die les mogen we ons nog altijd ter harte nemen.

De laatste levensfase van de mens is een waarde­volle fase, waarin het menselijk bestaan in zijn kwetsbaarheid zichtbaar wordt. Paus Johannes Paulus II liet deze kwetsbaarheid tegen het einde van zijn leven aan de wereld zien. Hij leidde de Kerk als opvolger van Petrus zolang het leven op aarde hem werd gegeven. Het was een bewuste keuze van een paus die jarenlang vol energie aan het hoofd van de Kerk stond. In die laatste fase van zijn leven was hij vol wils­kracht, maar ook broos, en was zijn lijden goed zichtbaar.

CORONA

Voor mij is deze laatste periode van het leven van Johannes Paulus II een mooi voorbeeld van zorg die het leven respecteert en de dood ziet als een normaal proces. Een laatste fase die inder­daad gezien mag worden en waarover gesproken moet worden.

Maar is er tegenwoordig nog wel ruimte voor deze laatste levensfase van de mens, en voor het gesprek daarover?

Ik kom de broosheid van het leven dagelijks tegen in mijn werk als specialist ouderengeneeskunde in een verpleeghuis. Verpleeghuizen zijn in de huidige coronapandemie veel in het nieuws. De landelijke bezoekstop is een ethisch dilemma; hoe maken we de afweging tussen het aspect van de veiligheid van de groep en dat van de kwaliteit van leven van het individu?

De ouderdom komt met gebreken, bij het berei­ken van een hogere leeftijd ontstaan er nou een­maal lichamelijke en/of geestelijke tekorten. Hoe deze gebreken worden ervaren, hangt af van vele factoren. Niet in de laatste plaats van de persoon om wie het gaat zelf. Hoe staat iemand in het leven, wie of wat is voor hem belangrijk? Hoe gaat diegene om met tegenslagen in het leven? Zijn er betrokken naasten? Iedereen is anders en uniek, en juist daarin ook gewenst en geliefd door God. Helaas zie ik dat dit besef geliefd te zijn, bij velen afwezig is. Het lijkt er soms bijna op dat het leven als minder waard wordt gezien, wanneer je door lichamelijk of geestelijk verval niet meer kunt doen wat je wilt. Wie of wat maakt dat een leven waardevol is? En is dit meetbaar? Als ik deze vragen gesteld hoor worden, is het mij duidelijk dat de vraagsteller niet gelooft dat elk leven door God geschapen, geliefd en derhalve waardevol en kostbaar is.

We lijken te zijn vervreemd van het doodgaan als natuurlijk proces. Of willen we er geen tijd voor maken? Misschien omdat het ons met onze eigen kwetsbaarheid confronteert of een beroep doet op onze werkelijke beschikbaarheid voor de ander? Mijn ervaring is dat de laatste levensfase een waardevolle tijd kan zijn voor alle betrokke­nen. Een tijd waarin pijn en andere symptomen worden verlicht. Waarin de dood niet bespoedigd of uitgesteld wordt en waarin de patiënt tot het einde toe zo actief mogelijk kan blijven met maxi­male ondersteuning van familie of naasten. Het is een tijd waarin de essentie van het leven juist naar voren kan komen, als we ons daarvoor open durven stellen. Een tijd kortom, waarin we meer dan ooit zijn uitgenodigd om Christus te ontmoe­ten en zijn nabijheid toe te laten.

Diepe vreugde

Nooit heb ik meegemaakt dat iemand in de laat­ste levensfase prat ging op alle successen of het geld die hij in het leven verworven had. Wel maak ik dagelijks mee dat contacten met dierbaren leiden tot diepe vreugde bij alle betrokkenen – of dat het ontbreken van deze contacten leidt tot diep verdriet. Daadwerkelijk naar elkaar omzien, onbaatzuchtig en vol overgave: dat is wat elke oudere nodig heeft. De laatste levensfase moeten we blijven omarmen. Juist wanneer alles niet meer vanzelf gaat, is iedere persoon dit waard.


Overgenomen met toestemming van Katholiek Nieuwsblad.


“U bent dichtbij mensen op een cruciaal moment van hun bestaan”

Message of His Holiness Pope Francis to mark International Nurses Day

Dear brothers and sisters,

Today we celebrate International Nurses Day, in the context of the International Year of Nurses and Midwives officially declared by the World Health Organization. At this same time, we observe the bicentennial of the birth of Florence Nightingale, the pioneer of modern nursing.

At this critical moment, marked by the global health emergency caused by the Covid-19 pandemic, we have rediscovered the fundamental importance of the role being played by nurses and midwives. Every day we witness the testimony of courage and sacrifice of healthcare workers, and nurses in particular, who, with professionalism, self-sacrifice, and a sense of responsibility and love for neighbour, assist people affected by the virus, even to the point of putting their own health at risk. Sadly, this can be seen in the high number of healthcare workers who have died as a result of their faithful service. I pray for them – the Lord knows each of them by name – and for all the victims of this epidemic. May the Risen Lord grant to each of them the light of heaven and to their families the consolation of faith.

Nurses have historically played a central role in health care. Every day, in their contact with the sick, they experience the trauma caused by suffering in people’s lives. They are men and women who have chosen to say “yes” to a very special vocation: that of being good Samaritans who are concerned for the life and suffering of others. They are guardians and preservers of life, who, even as they administer necessary treatments, offer courage, hope and trust.[1]

Dear nurses, moral responsibility is the hallmark of your professional service, which cannot be reduced to scientific-technical knowledge alone, but must be constantly inspired by your human and humanizing relationship with the sick. “Taking care of women and men, of children and elderly, in every phase of their life, from birth to death, you are tasked with continuous listening, aimed at understanding what the needs of that patient are, in the phase that he or she is experiencing. Before the uniqueness of each situation, indeed, it is never enough to follow a protocol, but a constant – and tiresome! – effort of discernment and attention to the individual person is required”.[2]

You – and here I think too of midwives – are close to people at crucial moments in their existence – birth and death, disease and healing – helping them deal with traumatic situations. Sometimes you find yourself at their side as they are dying, giving comfort and relief in their last moments. Because of your dedication, you are among the “saints next door”.[3] You are an image of the Church as a “field hospital” that continues to carry out the mission of Jesus Christ, who drew near to and healed people with all kinds of sickness and who stooped down to wash the feet of his disciples. Thank you for your service to humanity!

In many countries, the pandemic has also brought to light a number of deficiencies in the provision of health care. For this reason, I would ask leaders of nations throughout the world to invest in health care as the primary common good, by strengthening its systems and employing greater numbers of nurses, so as to ensure adequate care to everyone, with respect for the dignity of each person. It is important to recognize in an effective way the essential role your profession plays in patient care, local emergency activity, disease prevention, health promotion, and assistance in family, community and school settings.

Nurses, as well as midwives, deservedly have the right to be better and more fully valued and involved in processes concerning the health of individuals and communities. It has been shown that investing in them improves overall care and health. Their professionalism should thus be enhanced by providing suitable scientific, human, psychological and spiritual tools for their training, by improving their working conditions and by guaranteeing their rights, so that they can carry out their service in full dignity.

In this regard, associations of healthcare workers play an important role. In addition to offering comprehensive training, they support their individual members, making them feel part of a larger body, never dismayed and alone as they face the ethical, economic and human challenges that their profession entails.

I would like to say a special word to midwives who assist women in their pregnancies and help them give birth to their children. Your work is among the most noble of professions, for it is directly dedicated to the service of life and of motherhood. In the Bible, the names of two heroic midwives, Shiphrah and Puah, are immortalized in the Book of Exodus (cf. 1:15-21). Today, too, the heavenly Father looks to you with gratitude.

Dear nurses, dear midwives, may this annual celebration highlight the dignity of your work for the benefit of the health of society as a whole. With the assurance of my prayers for you, your families and those for whom you care, I cordially impart to all of you my Apostolic Blessing.

Rome, from Saint John Lateran, 12 May 2020

Francis


DNA bepaalt niet de menselijke waardigheid

Het komt de laatste tijd vaak terug in allerlei berichten in de media: genetische manipulatie is tegen de menselijke waardigheid. Aanleiding voor de berichtgeving is het toenemen van de mogelijkheden tot manipulatie met b.v. de CRIPR-cas9 techniek en de claim van de Chinese onderzoeker He Jianku dat hij het DNA van menselijke embryo’s zo zou hebben gemodificeerd dat deze mensen minder vatbaar zouden zijn voor infectie met het HIV-virus.

Op de studiedag van het Netwerk Katholieke Zorgprofessionals Nederland, gehouden op 6 april 2019 in Hilversum, werd over dit onderwerp nagedacht vanuit een aantal invalshoeken. Thomas Beenakker, chemicus, lichtte toe wat op dit moment de mogelijkheden van de CRISPR-cas9-techniek zijn. In principe kan met deze techniek het DNA van alle cellen in het lichaam worden gemanipuleerd: er kan in worden geknipt, maar er kan ook een stukje worden ingevoegd. Dit invoegen lukt eigenlijk alleen in cellen die zich delen.

Twee sprekers, dr. Daan van Schalkwijk, bioloog, en prof.dr. Henk Jochemsen, emeritus hoogleraar christelijke filosofie, die de vraag of de mens zijn DNA is vanuit Rooms-katholiek – filosofisch perspectief en reformatorisch perspectief probeerde te belichten kwamen tot de conclusie dat het veel te simplistisch is te denken dat de mens en zijn waardigheid wordt bepaald door zijn DNA. Een belangrijk argument hiervoor vanuit de biologie is al dat er “epigenetica” bestaat. Dit verwijst naar systemen die het aflezen van genen reguleren, dat wil zeggen systemen die genen aan of uit kunnen zetten of kunnen bepalen dat genen wel of niet intensief worden afgelezen en leiden tot lage of hoge productie van eiwitten. Deze systemen staan al weer onder invloed van andere processen in het lichaam: somatische processen die fungeren als terugkoppeling, maar ook psychische processen kunnen hier op van invloed zijn. Ook zou de ziel, zoals gekend door christenen en andere gelovigen, in dit systeem een (mede-)bepalende factor kunnen zijn. Ervan uitgaan dat DNA ons mens-zijn determineert is dus te simplistisch. In het geschetste, meer complexe model is het veel lastiger te bepalen wat nu uiteindelijk het aandeel van DNA aan mens-zijn is.

Jochemsen (zie bijlage) besprak allereerst de verschillende, filosofische benaderingen van de werkelijkheid: de meer klassieke benadering waarbij het bestaan van o.a. de mens een voorafgegeven betekenis heeft en de (post)moderne benadering, waarbij dit niet zo is en de mens zelf betekenis aan zijn bestaan moet geven. De laatste benadering gaat uit van een subjectieve waarheid en leidt ertoe dat de mens waarde toegekend krijgt (en niet dat de mens al een waarde heeft). Hierdoor is instrumentaliseren van de mens een logisch gevolg en ontstaat het gevoel dat de mens “maakbaar” is. Ook Jochemsen besprak een mensbeeld (Herman Dooyeweert) waarin de mens wordt bepaald door meerdere structuren die elkaar weer beïnvloeden, waar DNA er slecht één van is.

In de discussie onder de deelnemers ging het ook over het genezen van ziektes c.q. verlichten van lijden en bewerkstelligen van verbetering (enhancement). Het algemene idee is dat er geen bezwaar is om genetische manipulatie te gebruiken voor het genezen van ziektes, mits eventuele kwalijke gevolgen van de manipulatie en beheersbaar blijken. Het genezen van ziektes middels genetische manipulatie bij embryo’s, als dit zonder IVF zouden kunnen worden uitgevoerd, vond men mogelijk problematisch vanwege de niet goed te overziene gevolgen op de lange termijn: of een verandering in het DNA een paar generaties verder tot ongewenste gevolgen leidt, is zeer waarschijnlijk niet goed van te voren te onderzoeken en is derhalve een groot risico. In de discussie over genezen versus verbetering bleek de grens tussen genezen en verbetering vaak flinterdun te zijn. Dergelijke situaties komen in de ethiek wel vaker voor. Het beoordelen van de intentie waarmee iemand de handeling (in dit geval de genetische manipulatie) uitvoert kan dan een beoordelingscriterium zijn om onderscheid te maken tussen een goede en kwade handeling.

Het was een waardevolle studiedag waarop – omlijst door een eucharistieviering en afsluitende gebedsviering – over een onderwerp werd nagedacht dat de komende jaren nog regelmatig actueel zal blijken.


‘Ik bid het Onzevader tussen consulten door’

Medisch Contact, 31 januari 2019

Huisarts Con Derks herontdekte veertien jaar geleden het geloof. Hij besloot zich er verder in te verdiepen door het doen van een intensieve catechistenopleiding.